Boekweit- Buchweitzen in de Drentse grensstreek Door Gerard Steenhuis, augustus 2012 Op de venen van het Bourtanger Moeras -in Duitsland en Nederland- wordt sinds eeuwen, tot aan het begin van de twintigste eeuw boekweit geteeld. Boekweit die nodig is om de bevolking te voeden. Boekweit het gewas van de ‘arme bodem’. Fagopyrum esculentum Boekweit (fagopyrum esculentum) is het enige (zetmeel) voedingsproduct dat goed gedijt op onbemeste veengrond. Oorspronkelijk komt deze bijzondere notensoort uit Oost Azië. Het zaad lijkt op beukennootjes, zij het dat boekweitzaad veel kleiner is. ‘Boek’ refereert naar de beukenoot en ‘weit’ naar tarwe, hoewel boekweit niet behoort tot de granen. De bloem kleurt wit. Volgens overleveringen moet Zuidoost Drente in de jaren voor 1900 in de zomer één groot en uitgestrekt wit bloeiend boekweitveld zijn geweest (Buiskool, 1944). Omdat de productie nogal riskant is, draagt boekweit de bijnaam ‘Jammerkoren’. Boekweit (foto; wikipedia) Bewerkelijk De teelt van boekweit op het bovenveen is bewerkelijk en riskant. Eerst moet de bovenlaag van het natte bouwland uitdrogen. Tijdens de wintermaanden graaft men om de vijf tot negen meter een lange voetdiepe greppel om het oppervlaktewater te lozen. Dan hakken de boeren in het voorjaar de bovenlaag, bestaande uit stukken heide, struiken, veen en onkruid fijn. Wind, vorst en zon zorgen voor uitdroging. Met de eg wordt nogmaals meer grond verkruimeld en door met de ‘omgekeerde’ eg over het land te gaan wordt de bodem geëgaliseerd. Dan wordt het land, liefst na de ijsheiligen, soms zelfs na de langste dag, in de brand gestoken (IJsheiligen is 11-15 mei en de langste dag is 20 juni). Hierbij gaat de boer met de vuurkorf in de hand en gevuld met brandende kooltjes, systematisch het land over, waarbij hij de wind in de rug heeft. De verkruimelde stukjes veen moeten net niet geheel verbranden maar verkolen, zodat meststof overblijft voor de boekweitplant. Dit in de brandsteken van de bovenlaag is dus een ‘gecontroleerd’ verbranden en een breedte van 8 meters kan de boer nog net bewerken (Bulte, 2012). In de as ontkiemt het boekweitzaad. Boekweit is een snelgroeiend gewas. Na honderd dagen wordt het geoogst, ‘het groeit als onkruid’. In de maand mei en juni zaait de boer. De bloei is in juli en augustus en begin september oogst de boer. Veenbranden- Moorrauch Berucht zijn de jaarlijkse veenbranden uit het Duits-Hannoversche gebied- maar ook die van Zuidoost Drente- in de maanden mei en juni. Tot ver in Europa neemt men de rookvorming waar, die zelfs doet denken aan zonsverduisteringen. De rook is erg verstikkend en menig landarbeider komt ’s avonds thuis met ‘rooddoorlopen’ ogen. Duitsers noemen de rook Moorrauch. Tegenwoordig zou men spreken van een milieuramp. Veenbranden in het voorjaar (foto’s; Die Norddeutschen Moore, B. Tacke, 1926) Bruno Tacke en Bernard Lehmann Van Bruno Tacke en Bernard Lehmann wordt in 1926 ‘Die Norddeutschen Moore’ op de markt gebracht. De ondertiteling is ‘mit 165 Abbildungen, nach Aufnahmen und vier Aquarellen von B. Lehmann, sieben Einzelkarten und einer Übersichtskarte, 2. Auflage’. Het boek is in oud Duits geschreven en heeft opvallend mooie foto’s uit het Noordwest Duits veengebied. De drie hiervoor getoonde afbeeldingen over veenbranden zijn hierin opgenomen. Zie ook de aquarel verderop. J.J. Brands Jans Brands schrijft in 1994 zijn ‘Waar eens de boekweit bloeide. Schetsen uit de geschiedenis van Nieuw Dordrecht’. Hij citeert op blz 28  G.A. Venema die in zijn instructieboek ‘De Hooge veenen en het veenbranden’ het veenbranden omschrijft;  “Het veenbranden is een verschrikkelijke arbeid. In damp en rook gehuld, druipnat van zweet, dat door hitte en de inspanning der spieren uit de poriën wordt gedreven, zwart van stof, veelal met eene harde korst grof roggebrood in den mond, om de speekselklieren voor opdroogen te bewaaren, brengt de veenbrander den dag op het eentonige veen ver verwijderd van menschelijke woningen door”. Riskant Boekweit is gevoelig voor nachtvorst in de maand juni, waarbij het nog jonge plantje afsterft. De plant groeit snel en heeft binnen enkele weken zijn hoogte bereikt. De halm is tenger en iel en zo is het gewas gevoelig voor regen, storm en wind. Het boekweitveld gaat dan plat liggen, de halm breekt af en dit stagneert de verdere groei en rijping. De ondergrond is van veen en als tijdens de oogst er te veel regen valt, kan de boer het land niet op. Ook verliest de boekweit dan zijn korrel. Het gewas blijft op het land staan en wordt niet binnengehaald. “boekweit gelukt maar eens in de zeven jaar”, is een algemeen gezegde.  Boekweit is een riskant gewas. Is de oogst gelukt dan zijn de opbrengsten goed en heeft de boer goed verdiend. De opbrengsten kunnen erg verschillen van 1hl per hectare in een slecht jaar tot 20 hl in een goed jaar. Noordwest Europa kent zelden stabiele mooie zomers en te vaak zijn de boekweitoogsten mislukt. De mensen moeten dan in erge armoede de winter door (Kuis, 1948). 1/4 Ga naar de volgende pagina