Sietse van der Hoek in 1979 Sietse van der Hoek schrijft in zijn ‘Door den vreemd’ling met eerbied te naderen, tijdsbeeld van een veenkolonie’ in 1979 over de Breede Sloot. Hij schrijft op pagina 58: ”De Breede Sloot valt onder Emmer-Compascuum, maar is toch een gemeenschap met een eigen karakter. Het begin van de geregelde bebouwing is niet meer na te gaan. De onmiddellijke nabijheid van de grens en de Duitse gehuchten Schwartenberg en Lindloh doen vermoeden, dat dit al vroeg is geweest, zeker het midden van de vorige eeuw. Wij menen dit te mogen opmaken uit het feit, dat verschillenden die hier geboren zijn, zich kunnen herinneren dat hun vader schaapsherder was in dienst van Duitse boeren. Dit wijst op de tijd vóór de ontvening. Deze herders gingen wonen op Hollands gebied (deserteurs die zich onttrokken aan de militaire dienstplicht), dicht bij de velden waar de dieren hun voedsel zochten. We mogen dus veronderstellen dat vooral in de oorlogsjaren 1860 en 1870 velen aan de Breede Sloot kwamen wonen. Het einde van de Breede Sloot was het ‘Bolle Gat’, gelegen daar waar nu de Wortelboerwijk eindigt. Dit Bolle Gat was berucht”. Het gebied is berucht om zijn ontoegankelijkheid: moeras, poelen en drassige ondergrond. Hij schrijft verder dat pastoors die hier huisbezoeken deden zich door bewoners van de Breede Sloot lieten halen en brengen. Zeker in tijden dat het geen volle maan was. De bewoners brachten de pastoor dan terug tot de Kalkovenwijk, ongeveer daar waar de rioolzuivering is. De eerste huizen zijn gebouwd in de nabijheid van de berg. De sociaaleconomische omstandigheden waren gelijk aan die van Munnekemoer en Schutting. Het volk was echter beter. Ze woonden dichter bij de Duitse plaatsen waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen. Ze waren minder ontheemd. De nabijheid van de grens gaf wel aanleiding tot smokkelen en drankmisbruik. “Het is een goed slag volk dat daar woont. Dit blijkt ook uit hun bereidwilligheid om pro Deo karweitjes op te knappen, zoals graafwerk bij de bouw van de eerste kerk”, zo eindigt Van der Hoek. De kaart van Willem Arling Willem Arling (1936-2008) tekent de kaart van Barger-Compascuum zoals Bernard Wösten, de bakkersknecht bij Johan Eilering in de jaren 1914 tot 1925, zich in 1971 nog kan herinneren. Wösten (1897-1984) is na 1925 bakker in Barger-Oosterveld. Aan de Limietweg-noord wonen: Greve, Frans Greve, Geert Balk, Benninkhaus, Heller Bernard, Wielage’s Greite, Feringa’s Minne, Botters Bult, Kohnker, Dekker Wilm, Pot Hinnek, Gebken, Theodoor Alberts, Katrol Harm, Keukn Roef, Olde Barke, Berken, Kemper, Kuhl Minne en Grote Kneipe, Wolters. De beschrijving stopt bij het Emmer-Compascumer Zwartenberger Veen. Kaart van Roef Feringa Binnen de familie Feringa-Hartmann circuleert de kaart van Roef Feringa (1901-1977), oudste zoon van Herman Heinrich (Minne) Feringa. Hij beschrijft de situatie in Barger-Compascuum in de eerste jaren na 1900. Aan de Bredesloot wonen de volgende gezinnen (letterlijke weergave): H. Hendriks, brughuis, HH Greve, JH Wielage, G Balk, Broukman, HH Feringa, HH Gebben, Th Albers, Katrol Harm, R Suelman, Keukn Roulf, Hoezen, HH Holscher, Pot Hinnek, R Heine, HH Kuhl, Berken, W Martens, GH Fischer, Robben Geert Harm en Wolters, Grote Kneipe. Ook hier stopt de beschrijving in het Zwartenberger Veen. Het rijtje van de heren Geerdink De beide heren F. en K.F. Geerdink schrijven in hun boek ‘100 jaar parochie Sint Willehadus, Munsterscheveld/ Emmer-Compascuum’ (1996) over de woonbuurt Breede Sloot. Hun rijtje namen overlapt deels de namen van Arling en Feringa. Zij beschrijven het Emmer-Compascumer Zwartenberger Veen, van zuid naar noord: Franciscus Fischer en Adelheid Pasche (D/D), Frans Tieben en Angela Zaan (D/-), Johan Gerth ‘Scheper Johan’ en Anna Helena Tieben (Papenburg/ Braamberg), Herman Heinrich Kuhl en Anna Catarina Rosveld (Schwberg/ Rbrock), Jan Harm Grommel en Catharina Driever (Lindloh/-), Jan Hendrik Berken en Maria Brockman (Neu Ringe/-) Heinrich Hölscher en Mina Stuurman (D/-), Hendrik Wolters en Maike Helmer ‘Lutje Kneipe’ (D/-), Jan Geert Vos en Maria Gesina Fehrmann (-/D), Gerardus Boekholt en Maria Catarina Wevers (-/Twist), Geert Harm Fischer en Maria Elisabeth Lubbers (Aberge/ Schwberg), Johannes Bernardus Jasken en Maria Helena Bolmer (Hülsberg/D), Hendrik Teiken en Anna Helena Fischer (Schwberg/Aberge), Johan Wilhelm Grommel en Sophia Maria Magdalena Emmerink (Lindloh/-), Jurje Over en Maria Helena Grommel (Rbrock/Lindloh), Geert Harm Over en Maria Adelheid Grommel (Rbrock/Lindloh) en Hendrik Winters en Tecla Bos (D/D). Enkele bewoners van de Breede Sloot Sietse van der Hoek beschrijft enkele bewoners van de Breede Sloot. Hendrik Wolters van ‘Lutje Kneipe’ en Maaike Helmer hadden vier kinderen, die van hun moeder vaak te horen kregen dat ze ‘rare apostelen’ waren. Toen op een catechismusles pastoor Vinke aan zoon Heinrich vroeg hoeveel apostelen er waren, antwoordde deze: Vaare (is vier). Zo wie dan? Oes Lene, Harm, Jan en ikke. Het gezin is later teruggekeerd naar het Duitse Emsdetten. Toch zijn nazaten van Wolters hier blijven wonen, zie verderop. In 1898 kwam op een zekere dag pastoor Nieuwesteeg uit Ter Apel samen met architect Te Riele uit Deventer het land bekijken waar de nieuwe kerk gebouwd zou worden. De grond was geschonken door Duitse boeren. Ze kwamen tot de zorgelijke ontdekking dat er eerst wel twee meter veen afgegraven moest worden. Een zekere Jan Dost wist hier wel raad mee en bezocht een aantal inwoners van de Breede Sloot. Die zouden de grond voor niets afgraven. Ook kwam hij aan bij ene Pot-Jan (GS: dit moet Jan Hölscher zijn). Die antwoordde: Is dit voor de kerk? Dit wist is veertig jaar geleden al. Ik was toen aan het russen (soort gras-riet) snijden aan de Riede (een beekje dat de scheiding is tussen Emmer-Compascuum en Munsterscheveld en mogelijk een zijbeek van de Runde) en toen heb ik daar het Angelus (klokkenluiden om 6, 12 en 18 uur) horen kleppen. Pot-Jan bezat dus paranormale gaven, was een soort van helderziende. Zijn persoon is een legende geworden, zo zegt Van der Hoek. Hij dankt zijn bijnaam aan het feit dat hij reizende koopman was in aardewerk, potten. Hij had zijn koopwaar in een mand, in een kiepe (noot 2). 2. Tekst op het gedenk-bidprentje van Maria Aleida Zaan, getrouwd Koop en later hertrouwt Amel (bron; Catrien Haan- Bruns) Hölscher, Zaan en Gerth In het Zwartenberger Veen woont ook enkele jaren de bekende klompenmaker ‘Aole’ Berend Hölscher (1856-1926), getrouwd met Anna Maria Zaan (1857-1893). Hölscher is geboren in Hebelermeer en woont op diverse plaatsen in het grensgebied. Anna Maria Zaan is geboren in Valtherveen, waar ook de jongste drie kinderen zijn geboren. Hun oudste zoon is evenwel geboren in Barger-Compascuum. In 1877 is deze familie ingeschreven in de gemeente Emmen. Bij hen in woont vader Geert Zahn (1818-1888), die geboren is in Herzlake en hier aan de Breede Sloot zijn laatste jaren slijt. Zijn echtgenote is Adelheid Rotterink (1816-1879). Het echtpaar Zahn-Rotterink krijgt meerdere kinderen, onder wie de hierboven beschreven Anna Maria (Hölscher) en de hiervoor beschreven Maria Elisabeth, getrouwd met Jan Hendrik Wolters ‘Grote Kneipe’, maar ook Maria Gretha, die trouwt met Johann Heinrich Hoffmann en de hierna te noemen Maria Engel, gehuwd met Frans Tiben. De familie Zahn woont hiervoor dus in Valtherveen, mogelijk Valthermond. Ook Berend Hölscher is stateloos en zijn huwelijk niet gewettigd. Zijn eerste vier kinderen hebben de achternaam van de moeder: Berend Hendrik (1878, blijft in de buurt), Geert (1881, idem), Maria Aleida (1883, Olleid verhuist naar Duitsland, trouwt met de Altharener Koop, later Amel, zie bidprentje) en Anna Maria (1888, trouwt met Franciscus Stanneveld uit Munnikemoer). Hölscher’s echtgenote overlijdt in januari 1893. Eind 1893 trouwt hij met Maria Adelheid Pranger (1871-1958). Ze is 16 jaar jonger en mogelijk na het overlijden van zijn eerste vrouw hulp in de huishouding. Ze wonen dan in Barger-Compascuum ten westen van de Schoolweg- noord, op plaats 25, dichtbij het eikenbos van Jan Berend Wilken, de kerk en de school. De familie Pranger woont ook op plaats 25, maar ten oosten van de Schoolweg-noord. Dit huwelijk is wel door de Staat erkend en de 12 kinderen uit dit huwelijk heten allen Hölscher. Aan de Breede Sloot woont ook Maria Engel Zaan (1864-1944), dochter van Geert Zahn. Ze is getrouwd met Frans Tiben (1867-1901), broer van Anna Helena Tiben die getrouwd is met Johan Alexander Gerth. Het echtpaar Gerth-Tiben ‘Scheper Johan’ woont van 1885 tot kort na 1900 eveneens aan de Breede Sloot. Johan Tiben verdrinkt in 1901 in één van de plaatselijke wijken, weet Herman Gerth, kleinzoon van ‘Scheper Johan’, http://www.achterdebreedesloot.nl/gerth_pagina1.htm.   2/8   Ga naar de volgende pagina