Drie opvallende feiten bij de Duitse trek naar Noord- Nederland na de Franse tijd (1813-1900) Door Gerard Steenhuis, november 2014 Stempel op een officieel document uit de periode dat het Emsland deel is van het koninkrijk Hannover, de jaren tussen 1815 en 1866 (bron; Renate Rolfes) Tot 1813 regeert de Fransman Napoleon over een groot deel van Europa. Na diens val en het Wiener Congres in 1815 vormen Nederland, België en Luxemburg ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’. Het Duitse Emsland valt onder het koninkrijk Hannover. Dit duurt tot 1866. Als Pruisen in dat jaar de Slag bij Langensalza wint van Oostenrijk-Hannover wordt het Emsland een deel van Pruisen. Twee opvallende feiten doen zich voor in het Emsland in de Hannoveraanse tijd, de jaren tussen 1815 en 1866. (A) Bewoners uit dit grensgebied met Nederland trekken de grens over naar Nederland, naar Zuidoost Groningen en Zuidoost Drenthe, om zich hier definitief te vestigen. Wat ligt hieraan ten grondslag ? En wat zijn de omstandigheden die het noodzakelijk en mogelijk maken? (B) Echtparen trouwen in een Duitse kerk en naderhand nogmaals op het gemeentehuis in de Nederlandse gemeente waar ze zich vestigen. Een nader feit doet zich voor in en na 1866, in de tijd dat het Emsland onder Pruisen valt. (C) Mannen duiken onder om niet in dienst te hoeven, ze deserteren, gaan de grens over en worden stateloos. Hun kinderen krijgen de achternaam van hun moeder. Stempel op een document uit het district Amt Meppen uit de jaren na 1866. Het Emsland is dan deel van het koninkrijk Pruisen. De Duitse adelaar doet zijn intrede (bron; Renate Rolfes) Situatie in Nederland 19 Oktober 1813 verliest Napoleon de ‘Volkerenslag’ bij Leipzig. Nadat hij zich in de winter van 1812-13 uit Rusland moet terugtrekken. Op 30 november neemt Willem Frederik, zoon van stadhouder Willem V, vanuit Engeland de boot naar Nederland. Hij meert aan op het strand van Scheveningen en wordt als ‘Koning der Nederlanden’ binnengehaald. Willem I is dan koning van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden (België) en Luxemburg. Het Wiener Congres wilde een sterk en krachtig land aan de noordgrens met Frankrijk om zo de expansiedrift van het land in te dammen. Lang heeft het niet geduurd want in 1830 maakt België zich zelfstandig. Een Nederlandse postzegel, uitgegeven in 1963 met een weergave van Willem I bezegelt de 150 jarige onafhankelijkheid van Frankrijk (foto; GS) A.  Wat zijn de redenen van de trek vanuit Noordwest Duitsland naar het aangrenzende Nederland. Wat zijn de omstandigheden die het noodzakelijk en mogelijk maken? Samenvatting A-I. Door de industriele revolutie komt welvaart in Duitsland tot stand. Dit leidt tot groei van de bevolking. A-II. Noordwest Duitsland wordt in de 17de en 18de eeuw geteisterd door oorlogen, ziektes als pest, misoogsten en armoede. A-III. Het Emsland produceert te weinig voedsel, lees rogge, om zijn bewoners te voeden. A-IV. De groep bezitloze heuerleute en zonen van boeren die niet de boerderij erven wordt groter. Er is behoefte aan nieuw land. A-V. Steeds meer markeland wordt gescheiden en te koop aangeboden. A-VI. De Hollandgangerij loopt ten einde. Veel Duitsers emigreren naar Amerika. Anderen zoeken het dichterbij. Zij vestigen zich eerst aan de Duitse kant van de grens en later in Nederland. Welke omstandigheden maken dit mogelijk? A-VII. Het Bourtanger moeras valt droog en laat bewoning toe. Eerst aan de Duitse kant (rond 1788) en later aan de Nederlandse kant (na 1820). A-VIII. In het grensgebied in Nederland zijn nog ongebruikte veengronden, die de boekweitteelt mogelijk maken. A-I Duitse platteland-overbevolking Tot aan de industriële revolutie, begonnen na de Franse tijd, woont het merendeel van de Duitse bevolking op het platteland. Duitsland bestaat uit tientallen aparte staten, hertogdommen en koninkrijkjes. De mensen wonen óp het land en leven ván het land. De bevolking is agrarisch. Begin 19de eeuw ontwikkelen zich industrieën en de vraag naar mankracht, werkvolk is groot. Families verlaten het platteland om te gaan werken in de industrie. Zo ontstaan woonconcentraties, de steden. Door de verbeterde hygiëne, medische verzorging en leefomstandigheden kunnen ziektes als pokken, pest, cholera, tyfus en tuberculose minder om zich heen grijpen. In de grote steden daalt ook de kindersterfte door aanleg van verbeterd sanitair en door inentingen. Een teken van verbeterde levensstandaard is het feit dat rond 1900 een aanzienlijker deel van de bevolking getrouwd is dan een eeuw ervoor. Rond 1900 zijn in Duitsland meer sociale en economische omstandigheden voorhanden om een gezin te stichten. In 1914 is de levensverwachting bij de mannen 47,4 jaar en bij de vrouwen 50,7. Terwijl het twee generaties ervoor nog gemiddeld 12 jaar lager ligt (Schaper, 2004). Welvaart ontstaat en de bestrijding van ziekten wordt verbeterd. Dit heeft tot gevolg dat de bevolking groeit en er krapte ontstaat in het land ten oosten van Nederland. A-II Oorlog, plunderingen en pest In de 17de en 18de eeuw wordt Noordwest Duitsland geteisterd door oorlogen, misoogsten en ziekte. De grote landen Oostenrijk, Frankrijk, Saksen en Rusland enerzijds en Pruisen, Engeland en Hannover anderzijds strijden om de macht in Europa. Deze strijd, na de vrede van Munster in 1648 en voor de Frans tijd, 1795-1813, vindt plaats in het centrale deel van Europa: in Duitsland. Het land verkeert in een constante staat van oorlog. Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) worden het Munster- en Emsland stelselmatig geplunderd door voorbijtrekkende ‘vreemde’ troepen soldaten. De troepen soldaten moeten zich voeden en beroven het arme Duitse platteland. Plundering zorgt voor schaarste, misoogsten en armoede. Ook lijdt Noordwest Duitsland aan de gevreesde pest. A-III Te weinig voedsel- rogge De bevolking van Noordwest Duitsland voedt zich grotendeels met rogge; pap en brood (Jacobs, 2010. Zie hiervoor ook de uitgebreide uitleg in het Heimatmuseum van Cloppenburg http://www.museumsdorf.de. In de veengebieden wordt ook boekweit als voedingsmiddel gebruikt; pannenkoek en pap. Pas later doet de aardappel zijn intrede. Rogge wordt verbouwd op de bemeste zandgronden, op de es van een dorp. De mest wordt geleverd door de schapen, die grazen in het gezamenlijke markegebied. Het aantal schapen is beperkt. Het aantal beesten dat de boer in de winter kan stallen en voeden is de limiet. Maar ook staan de ‘heersende’ boeren, de boeren die samen eigenaar zijn van de kudde schapen, geen uitbreiding toe. Zij willen in hun leefgebied aan de macht blijven, de verhoudingen moeten blijven zoals ze (al sinds eeuwen) zijn. Elke boerenfamilie behoudt binnen de marke zijn rechten en daarmee het aantal schapen binnen de gezamenlijke kudde. Het land laat niet meer schapen toe. De hoeveelheid mest is beperkt en daarmee ook de roggeverbouw. Daarnaast kent de Emslander niet het principe van vruchtwisseling, dit in tegenstelling tot andere streken in Duitsland. Door een perceel braak te laten liggen of er een ander product op te verbouwen, zal de roggeopbrengst de jaren erop hoger zijn. Dit principe wordt niet toegepast, op hetzelfde perceel wordt jaar na jaar rogge verbouwd (Jacobs, 2010). 1/6 Ga naar de volgende pagina