Provincie- turfsteken In andere streken worden kanalen gegraven en turf gestoken. De vraag naar turf als brandstof in de huishoudens maar ook in de opkomende industrieën is groot in Nederland. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw is veel vraag naar bolsterturf voor paardenstallen op grote boerderijen en bij de cavalerie in het leger. Het turfsteken begint in maart, als de gestoken turf niet meer bevriest. En eindigt eind juli. Andere bronnen melden dat het turfseizoen begint op 1 mei en eindigt op de langste dag, 28 juni. Turf, die na die tijd gestoken is, heeft te weinig droogtijd en komt te nat in de bult. Zie de Hollandgang van Luke Geilink; www.achterdebreedesloot.nl/het_geslacht_geilink.htm Kiepkerels ‘pakkiedragers’ en marskramers Ook Duitse handelaren, die handelen in thuisgemaakte producten, vinden hun weg in Nederland. Ze komen veelal uit de arme agrarische katholieke streken van Noord Westfalen en het Munster- en Osnabrückerland; uit de buurt van Lingen, Rheine, Schapen, Beesten, Ibbenburen, Hopsten en Mettingen. Tödden, Teuten of Velingen (Westfalen) heten ze. Is het Teutoburger Wald hiernaar genoemd? Deze dorpen liggen allen ten zuiden van Meppen en ten oosten van de Ems. Op het land (zand) wordt in de zomer vlas en hennep verbouwd. Van het linnen wordt tijdens de wintermaanden doeken, lakens en dekens geweven. Mannen gaan in de zomermaanden op pad. Ze hebben hun waar, goed en tuug in de ‘kiep’ korf en dragen deze op de rug. Kiepkerels en pakkiedragers worden ze genoemd. Volgepakt gaan ze de grens over en stropen het Nederlandse platteland af. Zij werken niet op akkoord, maar zijn zelfstandige ondernemers. Het graafschap Lingen is van 1633 tot 1703 deel van Nederland. Dit maakt de gang van de handelaren uit Beesten en Schapen naar hun buurland alleen maar makkelijker. Soms huren ze in een stad een ruimte om hun waar op te slaan en van hieruit het land in te gaan. Hun familie, hun gezinnen blijven wonen in Duitsland. Hier worden de huwelijken voltrokken en de kinderen geboren. Elk jaar keren ze terug en op oudere leeftijd slijten ze hun ouwe dag in het land van herkomst. Bekend is dat de Nederlandse taal nog lang gesproken is in Beesten. Familiewapen van de familie Veerkamp uit het Duitse Schapen. Zij behoren tot de Tödden, pakkiedragers, die vanaf de 17de eeuw seizoenhandel hebben in Nederland (bron; www.veerkamp.nl) In Beesten (D), gemeente Freren, is een uit de vijftiende eeuw stammend huis gerenoveerd tot Heimathaus. In dit huis heeft de Töddenfamilie ‘Urschen’ gewoond. Aan de andere kant van de straat woont de familie Haakmann. Zij zijn eveneens Hollandgangers en hebben voor 1900 handel met ‘Tuug’ in Nederland (foto; Annelies Möhlmann) Meerdere wegen en het blad ‘Use’ Het hier genoemde Töddenhuis in Beesten staat aan de oude weg van Osnabrück-Spelle-Beesten-Schapen-Lünne naar Lingen. Dit is het oude pad die de marskramers vanuit het Munster- en Osnabrückerland te voet deden naar Lingen. Het pad sluit aan op de Flämische Strasse die hier de Ems oversteekt. De Flämische Strasse is een eeuwenoude handelsweg vanuit Jutland, Denemarken ‘over het zand’ door dit stuk van Duitsland en Nederland naar het rijke Vlaanderen in België. Eigenlijk is het de oude weg van Scandinavie naar Parijs. Het pad liep langs de oost- en zuidgrens van het ondoorgankelijke Bourtanger Moeras. Ook de ‘Friesenweg’, het pad vanuit de Emsmonding en Ostfriesland naar de grote steden Munster, Rheine en Osnabrück, heeft zijn loop over de westoever van de Ems. Zie ook; http://www.achterdebreedesloot.nl/de_grens_over_pagina1.htm Het blad ‘Use Landlüü- an Ems-Vechte-Hase’ besteedt in zijn uitgave van september 2014 een item aan het oude handelspad de Flämische Strasse. De schrijver Andreas Eiynck schrijft over de ‘Fähre’ en Emsbrücke bij Lingen. Om gebruik te maken van de veer moet de passant tol betalen. Voor elke kar een stuiver, per paard een halve stuiver, per persoon een pfenning en per koe, os twee pfenningen. De meeste koeien gingen zwemmend door de Ems en dit koste dus niets. Ook de boten die hier dit punt passeren betalen voor doorvaart. De op de oostelijke oever gelegen stad Lingen int de ‘gebühren’. De veer en later de brug worden druk bezocht en regelmatig is er aan beide kanten een opstopping en filevorming. De herbergen, café’s en eethuizen in Lingen en, op de andere oever, Schepsdorf doen dan goede zaken. In de tijd voor 1824, de tijd dat de veer voor de overtocht zorgt, hanteert de veerman (zo ontstaan de achternamen Veerman, Fehrmann) bij hoog water een hoger tarief. Als de Ems bevroren is staakt de veer en is het gezellig druk in de herbergen in de plaatsen bij de Ems. De historicus Heinz Jacobs (1935-2012) beschrijft dat in zijn geboortedorp Dalum ook een veerboot reizigers over de Ems brengt en koeien door de rivier gaan. Dalum ligt een kleine tien kilometer noordelijker van Schepsdorf, eveneens op de westoever van de Ems (Jacobs, 2008). Jacobs rekent ook deze overgang tot de Flanderenweg of Flämische Strasse. Het Heimathaus in Beesten dat eerder het huis is van de Töddenfamilie Urschen. zie ook Eiynck, 2013) (foto; Annelies Möhlmann) 2/5   Ga naar de volgende pagina