18de eeuw- grenspalen Dan komt er beweging. Het Duitse gebied raakt overbevolkt. De bisschop van Munster zoekt eind achttiende eeuw naar nieuw land voor zijn alsmaar uitdijende bevolking. Hij heeft zijn oog laten vallen op zijn landsgebieden, die grenzen in het westen aan het Bourtanger Moeras. Greppels worden gegraven, wallen gesloopt en afwateringen aangelegd. Het moeras droogt uit en wordt beter begaanbaar én laat bewoning toe. Duitse boeren zijn geïnteresseerd in de gronden, zij zien hier mogelijkheden om hun boekweitverbouw uit te oefenen. Zij willen zich hier wel vestigen. Het wordt drukker in het grensgebied tussen de Drentse Hondsrug en de Duitse zanddorpen op de westelijke oevers van de Ems. Hollandse en Duitse boeren betwisten elkaar de stukken grond aan de Aa, de Runde. Regelmatig raken beide parijen slaags, zo meldt Anton Dijck (1978). Overleg tussen Duitsland ‘Munster’ en de Nederlandse Staat ‘de Republiek der zeven Provinciën’ is noodzakelijk. In 1764 is het dan zover. De grens is bepaald en loopt van de kerktoren van Wietmarschen tot een punt op Ubbenbarg (zie Dijck, 1978 en Steenhuis, 2011). Hier is de grens lijnrecht en door een pennestreek van een landmeter op papier vastgelegd. Het moeras is slecht begaanbaar en met moeite zijn een aantal grenspalen te plaatsen. Grenspaal I (156) komt op het 3-landenpunt tussen Bentheim, Twist en Schoonebeek (zie Bechtluft). Noordelijker ervan is grenspaal II (157), sinds 2006 te zien in het Moormuseum in Gross Hesepe. Grenspaal III (162) komt bij de Martelssloot, tussen het Zwarte Meer en Hebeler Meer maar is in de grond verstopt, zie de bijdrage van Wim Visscher onder Foto’s en krantenknipsels ‘Het kanaal van Martels’. Grenspaal IV (165) wordt geplaatst op de Ubbenbarg, die later Schwartenberg zal gaan heten. Het is dan 1784. De naam Ubbenbargh wordt al sinds 1500 geschreven. Grenspaal IV of later 165 (bron; Feitelijkheden aan onze oostelijke grenzen in de Nieuwe Drentse Volksalmanak, Dijck, 1978) 1788 De bisschop van Munster wijst in 1788 een veertiental plaatsen aan als nieuw bewoningsgebied. In deze ‘Niederlassungen’ mogen de ‘Kolonisten’ zich vestigen. Zij krijgen elk een ‘plaats’ toegewezen, bestaande uit een stuk grond om een woonhuis op te bouwen, een akker voor voedselteelt en een veengebied om boekweit te verbouwen. Daarnaast krijgen de nieuwe bewoners recht om in het markegebied een aantal stuks vee te laten grazen. Ook de plaatsen Rütenbrock, Lindloh, Schwartenberg, Hebelermeer en Twist worden aangewezen als Neusiedlungen. Elke Siedlung krijgt meerdere plaatsen, te verdelen onder de ‘Neusiedler’. De bewoners van Schwartenberg bouwen hun boerderijen pal tegen de grens aan, van de Ubbenbarg tot Rütenbrock. Zij wonen in Duitsland maar hebben hun gronden en weidegebieden in het aangrenzende Nederland. Deels in Barger-Compascuum, in het Zwartenberger Compascuum en in Emmer-Compascuum, in Zwartenberger Veen en Munsterseveld, tot aan de Runde.    Een foto van de grenspaal IV, 165 uit de periode voor de       Tweede Wereldoorlog (bron; Blanke, 1938 Grenspaal IV Grenspaal IV, later 165 genoemd, staat op plaats 54/55, zo zegt Heinz Menke, historicus uit Rütenbrock. De eerste eigenaren zijn in 1798 twee broers Tholen. Hermann Eilard Tholen op plaats 55, Lindloh, Uppenbarg en zijn broer Johann Heinrich op plaats 54, Schwartenberg. Zij krijgen de berg toegewezen met de erbij behorende landerijen in Munsterseveld. Zij bouwen hier een boerenbehuizing op Duits grondgebied, nabij de grenspaal, die ook dienst doet als winkel en herberg annex café. Op tientallen meters afstand, op Drents grondgebied bouwen ze een schuur. Drukte op de Barg In de eerste jaren na 1800 wordt het café van Tholen druk bezocht door Hollanders en Hannoveranen, zoals de vroegere Munsterlanders na 1814 gaan heten. De Barger- en Emmer boeren bieden hun grondgebieden aan voor boekweitverbouw. Hier worden in het voorjaar de percelen verdeeld en in het najaar de huurpenningen betaald. Bij deze handel vloeit rijkelijk de Duitse jenever ‘Spruut’, zoals de kasboeken uit die jaren laten zien, aldus de Bargercompascumer Anton Dijck. Als in 1866 Hannover ingelijfd wordt door Pruisen moeten alle jonge mannen voor drie jaar in dienst. In 1870 en 1871 is Pruisen in oorlog met Frankrijk. De bewoners van het Emslandgebied vervloeken de oorlogszuchtige Pruis. Velen ontvluchten Duitsland, ze deserteren en gaan wonen op hun grondgebied in Nederland. Zo ook de zonen van de familie Tholen. Zij gaan de grens over en trekken in de nabij gelegen boerenschuur. Smokkelen uit armoede Nog jaren is de herberg van Tholen een vaste rustplaats voor reizigers en handelaren. En als in de Eerste Wereldoorlog handel met Duitsland verboden is en in het grensgebied veel gesmokkeld wordt, is deze herberg vaak plaats van handeling. Tot na de Tweede wereldoorlog zet zich dit smokkelen hier voort. Smokkelen is nodig omdat in veel gezinnen de inkomsten tijdens de wintermaanden wegvallen. Immers in het voorjaar, van 1 maart tot 1 juli, werkt de lokale bevolking in het veen. In de zomer en herfst bij de boer bij het binnenhalen van het koren en aardappelen krabben. In de wintermaanden is geen werk en dus ook geen inkomen. De boodschappen doen de arbeiders in de winkel van de baas-vervener. Ze kopen in op de ‘pof’ om het jaar erop dit terug te verdienen met het werk in het veen. Dit verschijnsel van verplichte winkelnering is algemeen gangbaar. Het leven in de venen is ook zeer zwaar en velen vluchten in overmatig drankgebruik, vooral jenever wordt veel gedronken. Albertje Rozema beschrijft een herberg-café aan de Nederlandse kant van de grens in ‘De leeuwerik jubelt, verhalen van drie generaties vrouwen in het veen’ (2003). Hier wordt ‘foezel’ geschonken. Foezel is een sterk alcoholische drank, jenever, die in Duitsland geproduceerd wordt en slechts door smokkel (in een varkensblaas ‘Zwieneblaose’ meegenomen) in Nederland verkrijgbaar is. Om haar klanten foezel te kunnen aanbieden, gaat de herbergier via haar achterdeur Pruisen in, haalt de gewenste drank, om het even later aan de bar uit te schenken. Op de grens in Nederland maar ook in Duitsland moeten meerdere kroegen, maar ook ‘stille knippes’ gestaan hebben. Dit zegt Sietse van der Hoek in zijn ‘Door den vreemd’ling met eerbied te naderen’ (1979). Als in de Tweede Wereldoorlog en de eerste jaren erna het veenafgraven in Nederland duidelijk minder wordt, vinden de mannen uit de grensstreek nog voor jaren werk in het veen in Duitsland. Veel Emmer-Compascumer jongens komen te werken bij de verveners in Fehndorf. Zij nemen, samen met krijgsgevangen uit Rusland of Polen, de plaats in van de ‘eigen’ Duitse mannen, die allen militair zijn. De dagelijkse gang van de Emmer-Compascumers gaat over de Schwartenberg.     Rozema en Vocks, twee schrijvers over tegenstellingen in grensgebied Rozema schrijft over haar leven ten tijde van de Eerste Wereldoorlog in Emmer-Compascuum, zo dicht tegen de grens aan. Ze is geboren aan de Breede Sloot en ze meent dat jonge meisjes die dienen bij de Pruisische boer het beter hebben dan meisjes, die helpen in Nederland bij het veenafgraven. Veel Nederlandse kinderen uit het grensgebied werken rond 1900 bij grote Duitse boeren als hulp in de huishouding of als schaapherder of koeheerd. Dit bijzondere fenomeen wordt ook beschreven in ‘Kleine Hein onder vreemd volk’ geschreven door de Bargercompascumer Heinrich Vocks in 1947. Beide schrijvers laten een grote tegenstelling zien in het Drents-Emsländisch grensgebied. Duitse kinderen worden gespaard voor het zware werk op de boerderij en land. Voor hen geldt ook leerplicht. Nederlandse kinderen, van soms nog geen tien jaar, dienen op de grote Duitse boerderijen aan de Eems. Tegen kost en inwoning zijn ze voor langere tijd van huis. Om de paar weken mogen ze even naar huis. Voor het Nederlandse gezin geldt dat een mond minder te voeden is. Ook wordt vaker beschreven dat een Nederlandse meid, die dient als hulp of koeheerd zwanger raakt. Het is een schande voor de Duitse boer. Ze moet van het erf af en keert terug naar Nederland. 2/3 Ga naar de volgende pagina