Lüke Geilink Een zoon van de familie, met de naam Lüke Geilink is in 1530 berecht en met het zwaard onthoofd. Wat is er gebeurd? Lüke Geilink heeft in het voorjaar een rechter, genaamd Bernd Buttel, neergeslagen. Over de ware toedracht speculeert Heinz Jacobs. Immers zekerheid heeft hij niet. Wat bezielt deze jonge vader van een zoon, Bernd, om dit te doen? Hij is ongeveer 25 jaar oud. Zijn vader leeft nog op de boerderij in dat jaar, 1530. In 1473 komt ene Albert Hermeling uit Lohne, lijfeigene van het klooster Wietmarschen te wonen op de Geilinkhof. De boerderij is in eigendom bij de ridder van Langen van de Kreyenborg. Albert krijgt de achternaam Geilink en is waarschijnlijk de grootvader van Lüke Geilink. Dalum is sinds eeuwen op zichzelf. De boeren van de marke, met hun knechten en families, leven in goede harmonie met elkaar. Natuurlijk moeten ze de gerechtelijke afdragingen en belastingen aan hun vorstbisschop jaarlijks betalen. Maar ze regelen alles zelf. Dan wordt de vorstbisschop van Munster eigenaar van een boerderij in het dorp; Hof Heide-Mensen. De bisschop is staathoofd en landsheer. Staat en kerk zijn niet gescheiden. Hij dringt binnen in het dorp. Middels zijn afgezant maakt hij de vergaderingen en besprekingen van de Dalumer markegenoten mee. De markegenoten voelen zich ‘bekeken’, ze zijn hun vrijheid kwijt. De rechter uit Meppen, ‘Bernd Buttel’, doet namens de vorstbisschop de rechtspraak. Lüke Geilink is analfabeet, kan niet lezen en heeft ook geen groots woordgebruik. De rechter echter gebruikt zijn retoriek en zijn rechterlijke macht. Lüke moet in zijn onmacht fysiek gereageerd hebben tegen de verbale overmacht van de rechter. Hij slaat hem in elkaar. Lüke wordt gepakt en eerst in een kerker in het gevang gehouden. Dan wordt hij berecht en ter dood veroordeeld- met het zwaard onthoofd. Wat is hier aan de hand? Westeuropa wordt geteisterd door de dodelijke ziekte de pest en ook zijn er een aantal achtereenvolgende jaren door het slechte weer misoogsten. In die tijd, zo rond 1528-1530 komt de Reformatie vanuit het zuiden en oosten naar noordwest Europa. Opstand tegen de macht van de bisschop wordt gepredikt. Reizigers uit alle windrichtingen passeren de Geilinkhof en ongetwijfeld heeft Lüke Geilink hierover gehoord. Op dat moment wordt recht gesproken namens de vorstbisschop. Lüke Geilink weert zich en gebruikt zijn botte kracht. Ruim 200 jaar later In 1749 inventariseert de pastoor van Gross Hesepe Joannes Nicolaus Bödiker zijn parochie. In opdracht van de bisschop van Munster bezoekt de pastoor alle bewoners van de dorpen, die tot de kerk van Gross Hesepe behoren. Het zijn de inwoners van de plaatsen Klein Hesepe, Gross Hesepe en Dalum en van hen noteert hij de namen, leeftijd en bijzonderheden. Hij maakt een Status Animarum. Pastoor Bödiker bezoekt de Geilinkshof, die komende vanaf Gross Hesepe, de eerste boerderij- liggende aan de Eems- aan de linker kant is. Als bewoners noteert hij; de altbauer Hermann Geilink, 66 jaar en zijn echtgenoot Tecla Holters, 61 jaar. Dan de boer Wilhelm Geilink, 38 jaar en echtgenoot Sophia, 41 jaar en hun beide kinderen Joan Lucas en Herm Heinrich, 5 en 3 jaar. Ook woont er nog een knecht Lucas Vehr, 15 jaar. Op het hof staan nog twee heuerhuizen (kleinere behuizingen voor knechten). In het ene huis woont de familie Hermann en Gezina Schomaker, 42 en 38 jaar en hun 5 kinderen in de leeftijd van 12 en 4 jaar. In het andere huis woont de familie Joan en Margaretha Bruns, beide 40 jaar, met een zesjarige dochter en een zoon van acht dagen. Deze familie heeft na de geboorte van hun zesjarige dochter meerdere kinderen gekregen, die echter jong stierven (Kindstod, aldus Heinz Jacobs). Pastoor Bödiker schrijft nog over een opmerkelijke bijzonderheid van deze familie Geilink. Een 28 jarige broer van de boer Wilhelm, Lucas geheten, leeft in Groningen. In tegenstelling tot alle andere ‘Hollandgänger’, die na het zomerseizoen in de herfst terugkeren naar huis, behoort Lucas Geilink tot diegene, die in Nederland een nieuwe ‘Heimat’ vindt. Lucas Geilink kan niet op de boerderij blijven. Hij is niet de oudste zoon en daarmee niet de erfgenaam. Zijn broer Wilhelm is de opvolger van vader Hermann. Lucas moet zijn kost ergens anders verdienen en zoals zoveel andere jonge mannen trekt hij in het voorjaar naar Nederland. Hij gaat in de Groninger venen werken als turfgraver. In een zeker jaar keert hij in de herfst niet terug naar Dalum. Mogelijk heeft hij zijn lief gevonden in het Groninger land.  Het internet geeft enige informatie. De website van de familie Lubberman noemt ene Jasper Evers als stamvader van het geslacht Geilink. De informatie komt overeen met dat van schrijver Heinz Jacobs. Internet;  “Het geslacht Geling komt uit de Gemeinde Geeste (D). Jan Lucasz. Harms Geling is landbouwer, geboren in Dalum (D), gedoopt (rk) op 25-10- 1722 in Grosz Hesepe (D). Hij is zoon van Hermannus Evers Gen. Geilink, gedoopt (rk) op 16-11-1682 te Meppen (D) en overleden op 8-6-1762 te Dalum en Tecla Holters, geboren 10-12-1687 te Klein Hesepe (D), gedoopt (rk) te Grosz Hesepe en overleden na 1749. Zij is dochter van Hermen Holters en Suzanne Schwering. Hermannus Evers Gen. Geilink is zoon van Joannes Everardus Evers, geboren te Geeste en gedoopt (rk) op 7-9-1654 te Meppen en Gertrut NN. De ouders van Joannes Everardus Evers zijn Jasper Evers, getrouwd voor de kerk in 1653 te Geeste en Alheidt NN”. Lucas Geilink in Groningen Vervolgens duikt de naam Geilink op in het boek ‘Boerderijenboek, oude Groningse Veenkoloniën’, geschreven in 2000 door M. Hillenga. Op 2 mei 1765 kopen ene Jan Lucas en Hillegyn Tobias “een behuizing en dallen te Tripscompagnie, met een dalle achter kopers, voor 3000 carolisguldens. Kopers zelf waren zwette ten noorden van het aangekochte”. Dit betekent dus dat de koper al in Tripscompagnie grond heeft. Het aangekochte is de grond en behuizing ten zuiden van Tripscompagnieweg 57.  Jan Lucas komt ook voor als Jan Luikens, Jan Lucas Harms en hij voert later de naam Geluk, Geilink, Geiling en tenslotte Geling. De naam van zijn vrouw komt ook voor als Teepkes en Tytes. Hillegyn is afkomstig uit Borgercompagnie en Jan Lucas uit ‘Munsterland’, zo vermeldt de bron. In het jaar 1755 zijn ze getrouwd in Sappemeer. Hij is de eerste Geling in deze streken, zo zegt M. Hillenga. Het is onze Lucas Geilink, afkomstig uit Dalum. 1799 Lucas Geilink overlijdt In een aanhangsel bij de ‘Historica Sapmeeriensis’ wordt uitvoerig een ruzie tussen parochianen over de benoeming in 1799 van pastoor Hamers beschreven. Hierbij komt Jan Lucas Geilink te overlijden. “De vergadering ging van kwade gevolgen vergezeld, er ontstond namelijk bij de kerk zoo groot gedruisch en verwarring dat zelfs Jan Lucas Geling door een flauwte op dat moment gezond en dood was en als lijk uit de pastorie naar zijn huis werd gedragen. Doch de partijen waren zo verbeten op elkander dat men zich om het droevige voorval in het minst niet bekreunde. “Is hij dood”, zeiden eenigen, “Kom draag hem dan maar gauw naar zijn huis, weg er mede!, ook Geilink, Geiling”. De boerderij aan de Tripscompagnie brandt af Na het overlijden van Geling wordt hij op de boerderij opgevolgd door zoon Harmannus Jans en diens vrouw Geessien Jans ter Veen. Dezen boeren hier tot 1840 waarna de boerderij wordt overgenomen door hun zoon Harmannus Geling, die naast landbouwer onder andere wethouder van Muntendam is. Bernardus Johannus Geling neemt in 1884 de boerderij van zijn vader over. Hij exploiteert zelf het bedrijf tot 1917. Daarna wordt de boerderij verpacht aan anderen. Vanaf 1953 woont er weer een Geling op de plaats. Het is oom Josephus Otto Geling, die van de kinderen van Bernardus Johannus Geling de boerderij huurt. In 1961 brandt de boerderij af. Een tijdland woont deze familie Geling in een stacaravan maar in 1965 verhuizen ze naar de Flevopolder. De boerderij is niet herbouwd en de grond is verkocht. Geling en andere katholieke Groninger geslachten Kinderen van Jan Lucas Geilink trouwen met nakomelingen van andere katholieke Groninger geslachen. Dochter Hermelindes Geling, geboren in 1767 trouwt met Koert Harms Steenhuis. Kleinzoon Harmannus Geling, geboren in 1817 krijgt bij zijn tweede vrouw Maria Elisabeth Bulle, geboren in 1848 9 kinderen. Dochters hiervan trouwen met zonen van de Groninger boeren Veerkamp, Keizer, Lubberman, Smit en Steenhuis. De zonen Geling zijn aardappelboeren maar stichten ook samen met hun zwagers de aardappelmeelfabriek ‘L’Esperance’ in Tripscompagnie. Om de fabriek van brandstof te voorzien wordt in noordoost Overijssel veengrond opgekocht. Ook in Overijssel is de familie ondernemend in de vervening, bolsterproductie en aardappelmeelindustrie. Zie voor het vervolg hierop: Het geslacht Steenhuis van de Tripscompagnieweg. 2/3 Ga naar de volgende pagina