Kolonisten De kolonisten krijgen een (huis) bouwplaats, groenland, akkerland en een stuk heideland voor boekweitbouw. Daarnaast mogen ze gebruik maken van de gemeenschappelijke heide als schapenweide. Elke kolonist mag maximaal 30 tot 40 schapen houden, zoveel hij in de winter van voer kan voorzien. Hier mag hij ook heideplaggen steken. De heideplag bedekt de bodem van de schaapskooi en wordt vermengd met de schapenmest. Deze bemesting wordt op de ‘arme’ zandakker verspreid, waarop in de zomer rogge, haver en aardappelen groeien. Daarnaast haalt de kolonist hout voor zijn huis en stallen uit de gemeenschappelijke heide en steekt hij voor eigen gebruik turf. Turf die nodig is om op te koken en in de winter zijn huis te verwarmen. Binnen het jaar moet een huis (2) gebouwd zijn. De eerste tien jaar wordt geen huur geïnd. Per Michaelis (29 september) 1800 moet de kolonist voor het eerst de pacht betalen. Eén derde huur gaat naar de Bisschop (Hofkammer) en twee derde naar de vroegere eigenaren van het gebied; de markegenoten van Langen en Altharen (Gemeinde). Grond wordt tot aan de Runde verdeeld (in het latere Emmer-Compascuum) omdat dit riviertje door de Duitsers gezien wordt als de landsgrens. Heinz Jacobs (2008) schrijft over de eerste bewoners: “Die Neusiedler kamen nicht alle aus dem Emsland. Manche waren aus dem Münsterland, aus dem Preussischen, dem Hannoverischen. Sie kaman auch aus der Gegend um Hildesheim und Paderborn, sogar aus den Niederlanden und Brabant. Man vermutet, dass manche dieser Fremden in ihrer Heimat als mehr oder weniger kriminell aufgefallen und deshalb dort verfemt waren. Deshalb, so meint man, waren viele in die Ferne aufgebrochen. Wenn die Siedlungswillingen ankamen, bauten sie sich auf dem ihnen zugewiesenen Grund zunächst  eine Nothütte. Sie stellten Birkenäste wie Sparren gegeneinander auf den Boden, legten und banden quer dazu weitere Birkenstangen auf und deckten dann Plaggen auf das Gerüst. Das Haus bestand also nur aus einem Dach und einem Raum, in dem Mensch und Vieh zusammen hausten. Später errichteten die Kolonisten dann niedrige Mauern aus Torfsoden und setzten ein Birkensparren-Plaggendach auf diese Torfmauer. Das Geld für einen grösseren Neubau konnten sie aber meist nicht aufbringen. Manche kauften ältere Häuser und Scheunen in den Dörfern, trugen die Balken auf ihren Schultern durchs Moor und stellten die Gebäude auf der Siedlerstätte im Moor wieder auf. Ziegelsteine brannten die Kolonisten oft selbst: in Lindloh gab es guten Ton für den Ziegelbrand”. Jürgengeele Ook Jürgen Geele (1728-1810) krijgt een plaats toebedeeld (3) (Menke, 1988). Hij is afkomstig uit Brakel-Paderborn, een dorp dat ligt in Nordrhein-Westfalen, tientallen kilometers ten zuidoosten van de steden Munster, Osnabrück en Bielefeld. Waarschijnlijk is Geele tijdens de zevenjarige oorlog (1756-1763) militair in het Emslandgebied en blijft hij in de buurt hangen als boerenknecht. Zo zegt Heinz Menke. Mogelijk werkt hij op de boerderij van de Altharener Otto Niemann (Ackermann en Wirt). Hij heeft omgang met dochter Helena Nieman (1739-1824). Ze is in 1739 geboren en gedoopt in het oude zanddorp Wesuwe. In 1778 wordt in Altharen hun dochter Maria Adelheid Geele (1778-1846) geboren. Dit gezin krijgt in 1790 het grondstuk met de naam Plaatze 12 toegewezen. Samen met tientallen anderen behoren zij tot de eerste kolonisten van Rütenbrock. Zij bouwen onder slechte omstandigheden hier een keet (een hut) en vestigen zich als boekweit- en schapenboer. 3. In 1790 wordt door Bernard Theodor Erpenbeck Actuarl. Commiss. een officieel document opgesteld, waarin de overdracht van Plaatze 12 aan Jürgen Gels wordt beschreven (bron; Renate Rolfes-Schütte) De tekst op het document 3 luidt (Heinz Menke) : Des Jürgen Gels Moorplatz Nr. 12 auf m Baarenfleer Enthält an Bauland 16, an Grünland 31 Vierup insgesammt 47 Vierup. Hiervon erträgt die jährliche Erbpfacht das Vierup zu 12 Stüber holländ. Gerechnet, insgesammt 28 Gülden 4 Stüber hollandsch…….Wovon nach Verlauf 10 freyen Jahren als Termino Michael 1800 zum ersten mal jährlichs an die Hochfürstliche Hofkammer 9 Gülden 8 Stüber, und an die Gemeinheit 18 Gülden 16 Stüber holl. Gezahlet werden müssen. Dan wird angemerket, dass obgemeldten Neubauer die Schaftrift auf höchstens 40 Stück, der nötige Torfstich wie auch ein Buchweitzen Acker, jenseits der Hanetange in dem nach Laude hinabschliessenden Moor……das Plaggenmatt aber in Gemeiner Marck verstattet worden. Bernard Theodor Erpenbeck Actuarl. Commiss. 1790 Die freye Viehtrift is dem Neubauer auf soviel Stück verstattet worden, als von demselben des winters durchgefüttert werden können.  Erpenbeck ut supra. Blanke De streekhistoricus en boer in Lindloh Heinrich Blanke (1889-1956) schrijft in zijn ‘Emsländische Moorkolonien im Kreise Meppen’ over de kolonisatie van Rütenbrock, Lindloh en Schwartenberg. (Blanke, 1938). Zie ook (3). Hij schrijft: Plaatze nr 12. Jürgen Geele, erhält an Bauland 16, an Grünland 31 Vierup = 47 Vierup, das Vierup zu 12 Stüber Jährliche Erbpacht: 28 Gulden 4 Stüber. Fürstliche Hofkammer: 9 Gulden 8 Stüber. Gemeinde: 18 Gulden 16 Stüber. 1798: Rudolph Rolfes. 1831: Georg Rolfes mit Frau, 2 Eltern, 3 Söhne, 1 Tochter, 1 Bruder und 1 Schwester. 1910: Georg Rolfes. 1938: Heinrich Rolfes. Renate Rolfes kan bovenstaand rijtje aanvullen met de volgende gegevens: 1938. Heinrich Rolfes (1900-1981) x Adelheid Dulle (1904 Lindloh-1988). 1963. Heinrich Rolfes (zie boven). 1980. Wed. Rolfes- Georg Rolfes (1930-1995) x Tecla Janzen (1934 Lindloh-1981). 1 Vierup is 25 meter bij 100 meter is ¼ hectare/bunder. Stüber is stuiver, 5 cent. De Erbpacht is de huur; 1/3 gaat naar de kerk en 2/3 naar de gemeente. Blanke schrijft niet over de periode tussen 1831 en 1910. Hier had kunnen staan 1870: Rudolph. Ook noemt hij niet dat er land in Nederland is. In officiele verkoopakten staat wel land in Roswinkel genoemd. Dit moet weideland zijn aan de Runde Aa. Ook moet in Horsten landeigendom geweest zijn. Is hier het land naar Laude bedoeld? De naam Rolfes Dochter Maria Adelheid trouwt in 1795 in Wesuwe met Rudolph Otto Rolfes (1774-1854), afkomstig uit het twintig kilometer oostelijker gelegen Emsdorpje Tinnen. Dit echtpaar komt te wonen op deze boerderij. Rudolph is dus, zoals het zo mooi heet ‘eingeheiratet’ op deze ‘Hof’. Waarschijnlijk wonen haar ouders (Jürgen Geele en Helena Nieman) erbij in. Kinderen uit dit geslacht dragen namen als Roelfes, Roelfs, Rolfers en Rolfes. De naam betekent ‘zoon van Rolf’. 2/6   Ga naar de volgende pagina