Noot 10. Derk Dokter is tweede zoon van Hendrik Dokter (1884-1958) en Henderika Gelijk (1884-1949). Hendrik is eerst schipper maar
wordt later vervener. Hij neemt het werk over van Sijtse de Vries en graaft met zijn jongens veen achter de winkel van Springer.
Het echtpaar Dokter-Gelijk krijgt meer kinderen. Oudste zoon is ‘Grote’ Jan. Hij verhuist op jonge leeftijd naar de steden. Na Derk komt
Teunis (1911-1976). Hij trouwt met Egberdina Trip (1912-1986). Dan Henk, dan ‘Kleine’ Jan (ca 1930-1988), die met Pietronella Robben
(1930-2006) trouwt. Dan komt Aurelia (1905-1967). Zij trouwt met Popke Ottens (1894-1982). Dan komt Janna (1906-1975). Zij trouwt twee
keer. Met Lippold en Lubbert Bos (+1961). In 1916 wordt Henderkien (1916-1998) geboren. Zij trouwt met Jan Bos (1913-1972). Zij zijn de
ouders van mijn bron Jo Schoo-Bos. Jongste kind van het echtpaar Dokter-Gelijk is Albertje (1921-1967). Zij trouwt met Bakker (1909-1984).
(Kleine) Jan Dokter en Pietronella Robben wonen in bij haar ouders Bernard Robben (1895-1967) en Ibeltje Kuipers (1897-1965) en haar
zussen Berendina (lang, 1937-2008) en Aafke ‘Aoffien’ (klein van stuk, 1925-1965). Veel leden van deze familie Dokter verhuizen naar
Zwartemeer. Enkelen komen te wonen in de bloembakhuizen aan de Limietweg 131-134. Anderen gaan wonen in de Zwartemeerse
bloembakhuizenwijk Tuindorp. Voor een groot deel liggen zij begraven op het openbare kerkhof van Zwartemeer (bron: Harm Schoo en Jo
Schoo-Bos).
Voor informatie over Ibeltje Kuipers en Buul Berend Robben zie noot 15.
Noot 11. In februari 1933 schrijft de Roomsch Katholieke Werkliedenvereniging uit Barger-Compascuum een brief naar ‘Zijne Doorluchtige
Hoogwaardigheid de Aartsbisschop van Utrecht’. In die tijd valt de Sint Josephparochie onder het bisdom van Utrecht. De Barger
Compascumers kaarten een heikele zaak aan.
Welke zaak?
Het is zomer 1931. Voordat de katholieke Sint Theresiaschool van Barger-Compascuum om negen uur begint gaan de kinderen naar de mis.
De kerkdienst begint om kwart over acht en duurt een half uur. De tienjarige Hendrikus Nieman verschijnt niet in de kerk. De familie Nieman
woont in het Zwartenberger Compascuum ‘bij de Duitse grens’ en om om kwart over acht in de kerk te zijn moet hij al voor zevenen het huis
uit. Hij moet minstens een uur gaan. Als het dan ook nog regenseizoen is zijn de zandpaden nog slechter begaanbaar en duurt de gang naar
school nog langer. De familie Nieman besluit dat zoon Hendrikus niet naar de daagse vroegdienst hoeft.
Dit staat pastoor Schweichmann niet aan. Hij spreekt in de klas Hendrikus hierop aan. Hij windt zich op, pakt het kind in de nek en drukt de
jongen met kracht op de schoolbank. De jongen blesseert zich hierbij en moet dokter De Koning van Emmer-Compascuum consulteren. Deze
adviseert de ouders aangifte te doen bij de politie. De marechaussee van Emmer Erfscheidenveen stuurt vader en zoon (beide Hendrikus) door
naar de collega’s van Klazienaveen. Het voorval valt onder hun district. Beambten van de Klazienaveense brigade bezoeken pastoor
Schweichmann. Tot een proces verbaal komt het evenwel niet. Nieman trekt zijn aanklacht in.
Dan nog een punt. De Sint Theresiaschool opent pas om negen uur zijn deuren, terwijl de kinderen, na de kerk, al om kwart voor negen op het
schoolplein zijn. Ook sluit de school in de middagtijd zijn deuren. De kinderen die van verre komen kunnen niet snel naar huis. Slechts een
kwartiertje gunt de school de kinderen om hun brood op te eten. Dan moeten ze naar buiten en gaat de school op slot. Kinderen kunnen dan
niet naar de wc en het is al gebeurd dat ze ‘bevuilt naar huis’ kwamen, aldus de brief. Ook geeft de kleine overkapping de vele kinderen die
van verre komen te weinig beschutting tegen weer en wind.
Op vrijdag 3 februari 1933 loopt het weer uit de hand. Schweichmann drijft de kinderen die niet de kerk bezoeken die ochtend de kerk in en
slaat een kind van Willem Hendrik Berends en van Johannes Rudolf Kuhl in het gezicht. Terwijl hij in de andere hand een rozenkrans houdt.
De familie Kuhl woont aan de Runde, halfweg Zwartemeer (mogelijk al in Zwartenberger Compascuum, 1931!) en de familie Berends in het
Zwartenberger Compascuum.
Parochianen spreken schande en beleggen een vergadering. Diezelfde avond is het overleg in het café van Hendrik Boerland. De mensen
accepteren de bovenbeschreven toestanden niet. Ze willen overleg met de pastoor en de leerkrachten van de school. Een voorlopige commissie
wordt benoemd om te komen tot een oudercommissie.
Pastoor Schweichmann stuurt de volgende ochtend, zaterdag 4 februari, twee misdienaren, een zoon van Geert Zaan en van Hendrik Boerland,
naar huis. Op dat moment zijn de beide jongens, kapelaan Woertman en de pastoor in de sacrastie. Bezoekers van de ochtendmis krijgen mee
hoe de pastoor huishoudt tegen de jongens. Caféhouder en vader Hendrik Boerland is op dat moment ook in de kerk en haalt de beide jongens
uit de sacristie. Hij ziet hoe Schweichmann tekeer gaat en met gebalde vuist tegenover de kapelaan staat. De pastoor heeft er genoeg van en
vindt dat de jongens zonen zijn van oproermakers en verdenkt zijn kapelaan van samenzwering. Ook Woertman was die avond ervoor bij de
vergadering in café Boerland.
De volgende dag, zondag 5 februari, probeert commissielid J.H. Sulmann een onderhoud te krijgen met de pastoor. Maar deze is niet voor een
gesprek te spreken.
Ook is door bovenstaande commotie de ernstig zieke Anna Catharina Rasfeld, echtegenote van Herman Hendrik Kuhl en woonachtig in het
grensgebied in het overgangsgebied van Barger-Compascuum naar Emmer-Compascuum, pas op zondag 6 februari bediend. Terwijl dit de
pastoor op de zaterdag ervoor had moeten doen.
‘Thans echter is het reeds zover gekomen dat andersdenkende personen met bovenstaande feiten in kennis zijn gekomen en er hun
misgenoegen over uitspreken’ staat in de brief.
De schrijvers verzoeken de aartsbisschop een goede herder in hun parochie te benoemen. ‘Mocht dit echter niet plaats vinden dan kan dit
mogelijk op den duur strekken tot schade van de parochie en de Roomsch Katholieke school’.
Kapelaan Gerardus Joannes Woertman vertrekt op 25 augustus naar Losser, pastoor Schweichmann op 7 september 1934 naar Wijnbergen
(Kuis, 1948).
Christianus Hendricus Schweichmann is hier pastoor van december 1927 tot september 1934. In zijn tijd komt het katholieke onderwijs tot
stand, wordt de Sint Theresiaschool in 1929 gebouwd en in 1933 het katholieke verenigingsgebouw, parochiehuis St. Josefgebouw, nu de
Collink.
Noot 12. Wilhelmina Christina ‘Mien’ Hölscher (1924 BC-2015 BC) is dochter van Gradus Hölscher en Lies Speller. Ze vertelt dat voordat ze
geboren is haar ouders wonen in het Zwartenberger Compascuum ‘nog voorbij Griet Mulderij’, maar door storm en noodweer is het dak van
het huis naar beneden gekomen. Het was al een bouwval. Haar moeder heeft zich hierbij ernstig geblesseerd. Haar ouders gaan dan inwonen
bij Speller Bats, bij de Runde. Hier wordt in 1924 Mien geboren. Door steun van de Katholieke Arbeiders Bond (KAB) kunnen haar ouders
het huis op Limietweg 94 bouwen. Mien trouwt met Willem Brijan ‘Bril Wilm’ van Limietweg 111. Zij gaan wonen op Limietweg 109.
Noot 13. Het verhaal gaat dat in 1922 Berend Suelmann op een bepaalde zondag na de vroegmis in Barger-Compascuum op stap gaat naar
Duitsland-Lindloh en Christina ten huwelijk vraagt. Hij is sinds juni 1920 weduwe van Anna Angela Theijken. Christina is weduwe van Jan
Geert Bürmann die tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger dient. In 1918 komt hij om.
Christina Bos gaat in op het verzoek van Berend Suelmann en gaat mee naar Barger-Compascuum. De familie Suelmann woont in de
Maatschappij. Ik heb haar nog gekend. Ze was buppe, de oude oma in het huis van mijn vriend Henk Suelmann aan de Postweg 86. Oudere
Compascumers noemen haar Pot Triene.
Christina Bos neemt in dat jaar,1922, beide zoons Hendrik (1911-2001) en Frans (1914-2001) mee naar Barger-Compascuum. De zonen
bouwen eind jaren dertig een 2 onder 1 kapper aan de Limietweg 52 en 53. Op de kaart van de plaatseigenaren van 1929 van het
Zwartenberger Compascuum staat deze kavel op naam van wed. B. Suelmann. Frans trouwt in 1937 met Maria Catharina Hoffard (1916-
2000) uit de Maatschappij. Zij krijgen 13 kinderen. In 1959 koopt hij het gehele huis. Hendrik trouwt in 1937 met Lena Veringa (1915-2001),
eveneens uit de Maatschappij. Ze wonen eerst nog in Barger-Oosterveld, vanaf 1939 aan de Limietweg 53. In 1958 verhuizen ze weer naar
Barger-Oosterveld. Beide jongens moesten in de oorlog onderduiken. Hendrik in de bulten bij half familie Geert Suelmann, aan de
Berkenrode 25.
Lena Veringa woont op Limietweg 53. Haar broer Minne Veringa in het huis ernaast, Limietweg 48.
Noot 14. De naam Hölscher komt veel voor in dit Nederlands-Duits grensgebied. Ik citeer Broer Berens. De stamouders zijn Joan Jacob
Hölscher (1788 Versen-1849 Meer) en Anna Margaretha Hugo (Lorup-1869 Bersede). Zij trouwen in 1806 in Lorup, een plaats ten
noordoosten van Meppen op de Hümmling. Ze staan te boek als zigeuners-scharenslijpers. Uit de verschillende geboorteplaatsen van de
kinderen is op te maken dat de familie geen vaste woonplaats heeft. Steeds verhuizend, maar wel binnen het linksemsische, ten westen van de
Ems, gebied. Holger Lemmermann (1986) schrijft erover in zijn ‘Zigeuner und Scherenschleifer im Emsland’. Kinderen van dit echtpaar
Hölscher-Hugo zijn:
- Christian, geboren in 1806, trouwt in 1839 in Wesuwe met Anna Maria Weiss.
- Jacob, in 1809 geboren en in 1888 overleden te Lindloh. Hij trouwt eerst met Catharina Hugo en hertrouwt in 1867 in Wesuwe met Maria
Adelheid Backs, in 1810 in Abbemuhlen geboren. Zij overlijdt in 1892 in Lindloh.
13/14
Ga naar de volgende pagina