Grenspaal 163 en Hebelermeer
Door Gerard Steenhuis, augustus 2012
Grenspaal No 163, geplaatst na het Verdrag van Meppen in 1824.
De H. staat voor Hannover en (niet zichtbaar, aan de andere kant)
de N. voor Nederland (foto; Meppener Tagespost, 2010)
“Bist du wahnsinnig geworden, Herm?” Gesina versuchte , ihn von dem Bestohlenen, der aus
zahlreichen Kopfwunden blutete, wegzuziehen. Plötzlich liess er von ihm ab und sah sie mit irrem
Blick an.
“Geh mir aus dem Weg, Weib, sonst beziehst du auch Prügel!” Sie zögerte einen Augenblick zu
lange, dann schlugg er zu. In Panik ergriff sie die Flucht, atemlos rannte sie an den Hütten vorbei,
in denen es totenstill war. Das Herz schlugg ihr bis zur Halse, aber sie lief weiter, Richtung Holland.
Erst am Grenzstein NO 163 sank sie weinend nieder.
Klappern und zittern zog sie sich am Grenzstein hoch und versuchte, sich zu bewegen. Ich muss
zurückgehen, ich kann hier nicht im Niemandsland bleiben, dachte sie und begab sich ängstlich auf
dem Heimweg.
Die Hütten lagen friedlich da, von dem Verletzten waren Blutspuren zurückgeblieben. Vorsichtig
öffnete sie die Tür, aber Herm war nicht zu Hause. Erschöpft liess sie sich auf dem Strohlager nieder
und umfasste ihrem gewölbtem Bauch. Ihr war klar, dass jetzt die Hölle begann.
Zo schrijft Margret Koers in de historische roman
‘Hexenschwert’, uitgegeven in 2010 over het leven
van ‘Goose Sienken’. Het jonge meisje dat trouwt
met Hermann Fenslage, de misvormde en
gewelddadige man. Zij wonen in het Hebelermeer
van kort na 1800 en dichtbij grenspaal 163.
Kaart 1. Fragment van Gausche Karte, Bl. 39 A. Meppen. Colonie Hebeler Meer.
De eerste 12 plaatsen liggen ten oosten (op de kaart rechts) van het Meer aan de
weg naar Wesuwe.
Op de oevers zijn ook al plaatsen uitgetekend. De verticale rechte streep is de
landsgrens. Linksboven staat geschreven; Buchweizen Acker. Ten westen van de
grens worden 3 punten genoemd, waarschijnlijk de grenspalen. De bovenste is
grenspaal 163, de middelste 162 en de onderste 161. De kaart kan van voor 1866
zijn (bron; Ottens, 1976)
Moorkolonie Hebelermeer
Enkele jaren na 1788 wordt dit gebied bewoond. De bisschop van Munster sticht in dat jaar 14 kolonies op de oostelijke rand van het
Bourtanger Moor. Zijn land is overbevolkt, hij moet woonruimte -nieuw land- scheppen. Maar ook wil hij de westgrens van zijn land
versterken. Het moerasgebied verliest alsmaar meer zijn natuurlijke grensfunctie en de bisschop wil deze Duitse streek, die grenst aan de
Republiek der Verenigde Nederlanden, bevolken. Al in 1764 is de grens bepaald en zijn de eerste grenspalen geplaatst.
Van noord -Ost Friesland tot zuid -de Grafschaft Bentheim wijst de bisschop de kolonies aan. Ook in het markegebied van Wesuwe, dat in
westelijke richting ligt nabij het Hebeler Meer, plaatst hij een Moorkolonie, ‘Neu Wesuwe’. De leefomstandigheden zijn erg slecht nabij het
Meer en het duurt enkele jaren voordat de bewoning op gang komt. 12 plaatsen zijn te verloten aan de oostkant van het Meer en deze vormen
samen het dorp.
Het is opvallend dat de bisschop hier in het diepe, moerassige veen een kolonie aanwijst. De andere kolonies hebben een vastere ondergrond-
soms zelfs op het zand- daar zijn ook weilanden om schapen en koeien te houden. Aan het Meer is slechts moeras en veen. Kennelijk gaat het
de bisschop hier om het versterken van de grens, een politiek motief.
Uit vele richtingen komen de nieuwe bewoners, de kolonisten. Het Meer trekt bijzondere bewoners aan, niet alleen maar boeren. Sommigen
zijn vluchtelingen, zigeuners of vagebonten, Ottens (1963) noemt zelfs scharenslijpers. Ze zijn arm en nergens welkom. Hier zijn ze op zoek
naar een plek om te wonen, leven, om hun eten te verbouwen voor zichzelf en hun gezinnen.
De kolonisten bouwen hun keten van berkenstammen, planken, veenkloeten wallen en met heideplaggen op het dak. Soms is de voorgevel-
met rookkanaal- van steen. Mens en dier leven onder één dak. Dit alles
op het sompige en drassige bovenveen. Het lijken wel holbewoners.
De keten staan dichtbij het Meer en als het dan veel geregend heeft, is het
land alleen maar natter, nagenoeg ontoegankelijk. Overstromingen
komen en oogsten mislukken. Er is slechts één toegangsweg. Deze leidt
naar het moeder-kerkdorp Wesuwe en is in de regenrijke periode niet
begaanbaar. Onder erbarmelijke omstandigheden, van de buitenwereld
afgesloten, leven de mensen in Hebelermeer.
Het bestaan is hard, veel ziekte, ongeluk en kindersterfte. Dit maakt de
mensen hard.
Keet in Hebelermeer (bron; Schöningh sien Dörp 1876-1976, 100
Jahre Schöningsdorf, Bernard Ottens, 1976)
‘Heks’ Goose Sienken
Zo wonen ook Hermann Fenslage- hij is misvormd aan zijn arm- en zijn veel jongere vrouw Gesina Brink ‘Goose Sienken’ in Hebelermeer.
Hermann ‘Herm’ heeft iemand brutaal bestolen. De man komt zijn recht halen bij de hut van Fenslage. Hermann komt naar buiten en geeft de
man een afranseling, tot bloedens toe. Gesina probeert haar gewelddadige man tegen te houden.
Dan keert de agressie zich tegen haar. Zij- zwanger- vlucht naar de Hollandse grens en zakt bij de grenspaal 163 in elkaar, aldus Margret
Koers, schrijver van het stuk. Het leven is een hel voor Gesina. Uit angst voor haar man heeft ze ook haar tweede kindje gedood. De
agressieve en gewetenloze Herm dwingt haar te stelen en huizen in de brand te steken.
Radeloos steekt ze een boerderij in Gross Fullen in de vlam. Het is kurkdroog en het waait op die zondagmorgen. Terwijl de inwoners van
Fullen de hoogmis in Meppen bezoeken, staat heel het dorp in lichte laaie. De boerderijen zijn van hout, stro en riet en het vuur grijpt om zich
heen. Gesina vlucht door de korenvelden maar wordt herkend en gepakt.
Zij wordt berecht en met zwaard onthoofd. Dit gebeurt – openbaar- op de oevers van de Eems. Het volk van Meppen, Versen en Fullen is
samengestroomd en ziet de terechtstelling. Uit het volk komt een roep dat ze ‘heks’ is. Het is dan 7 april 1807. Haar man ‘Herm’ komt in het
gevang.
Hiermee beschrijft Margret Koers de laatste openbare terechtstelling in het Meppener land. Zij noemt ook grenspaal 163.
1/3
Ga naar de volgende pagina