Van bolsterturf werden vanuit de gaten in de muur luchtpijpen naar het midden van de oven gevleid. Twee turven rechtop met een turf er liggend bovenop. Zo kwamen de turven in het midden samen. Op de wal lag een hoop schelpen die vermengd werd met kolengruis. Arbeiders krooiden met kruiwagens het mengsel naar boven, gingen de deur door en lieten vanaf de post de inhoud van de kruiwagen naar beneden vallen. Zo vulde de oven zich tot de hoogte van het verbrandingsdeel, ongeveer drie meter dus. Vier honderd mud kon de oven in één keer verwerken. Dan werden de bolsterturven vanuit de luchtgaten in de brand gestoken. De lange taps omhoog lopende pijp zorgde voor genoeg trek. Drie weken duurde het branden. Daarna was de inhoud van de oven verbrand, de turf en het kolengruis in rook opgegaan. Wat overbleef was kalk. Door de ovale vorm van de vloer zakte de kalk naar de buitenkant. Met lange schoppen werd de kalk naar buiten gehaald en op een zeef gegooid. De poedervormige kalk zakte erdoor en op de zeef bleven de harde stukken en brokken liggen. Dit werd in zakken gedaan en als kippengrit verkocht. De kalkpoeder krooide men naar de kalkschuur en legde men in bulten neer. Deze ongebluste kalk werd met water uit het kanaal overgoten. Dit ging gepaard met een chemische reactie waarbij veel damp vrij kwam. Zo erg dat we hele dagen met rode neuzen rondliepen. De kalk werd in zakken gedaan en neergezet voor transport. Een broer van mijn vader is tijdens het werk op de branderij verdronken. Zo stond hij nog op de praam en zo dreven zijn klompen in het water. Hij was toen vijftien jaar. De schelpen haalde men van de Waddenzee en vervoerd ‘over het water’ per praam naar ‘t Compas. De schipper heette De Jonge. Ook ik moest helpen bij de verwerking. Ik zie me nog met de lange schop de kalk uit de zijgaten scheppen en de zakken met kalk dichtnaaien.’ Zuidaanzicht van de kalkschuur. Broer herkent in de kar links zijn visventkar. In het huis verderop woont het gezin van Theo Bentlage en Grietje Tienstra. Varkens lopen achter het huis Verder met de oven Opa Bentlage overlijdt in 1951. Het ouderlijk gezin van Broer verhuist in 1954 naar het Hoofdkanaal oz en begint daar een horecabedrijf. Oma Catharina Bos overlijdt in 1965. Jan Knecht doet in opdracht van Piet Kempers nog twee jaar door (noot 9). Vader Theo Bentlage verbouwt daarna de schuur tot varkenshokken en als na een vijftal jaren dit niet rendeert, stopt het met de bedrijvigheid aan de Kalkovenwijk. De kalkoven raakt in ongebruik. Veel stenen worden hergebruikt bij de uitbreiding van het horecacentrum (noot 10). De fundering blijft nog lang in de grond zitten. Maar wordt uiteindelijk ook opgeruimd (noot 11). Roelof Postma overlijdt in Emmer-Compascuum in 1962. Zijn echtgenote Rensina Fokkelina Nieman in 1973. Theodor Bentlage overlijdt in 1980 en diens echtgenote Margarita Tienstra in 1989.  Links; De broers Herman en Theo Bentlage. Ik schat in de jaren dertig. Rechts; Theo Bentlage op weg naar de kerk in Munsterscheveld. Aan de auto verderop te zien is de foto gemaakt rond 1950-1960 (foto’s; Minie Wessel-Bentlage) Aanbouw uit 1997 aan het huis van de schrijver. De hergebruikte stenen zijn afkomstig van de kalkoven uit Emmer- Compascuum. Niet alle stenen zijn schoon afgebikt, resten oude kalk verraden een eerdere gebruik. Er zitten ook lange en brede stenen tussen. Zijn dit kloostermoppen, zie noot 11 (foto; GS) Huizen aan de Kalkovenwijk Broer Bentlage legt uit. Twee huizen staan in het verlengde van de Bredesloot aan de westzijdekant met de nummers 17 en noordelijker 15. Eerder woonde op 17 het gezin van Hendrik Over en Griet Wübbels en op 15 dat van Hendrik Kloppenburg en Griet Over. Er moet hier minstens nog een huis meer gestaan hebben en wel ten zuiden van het huis op 17. In het notitieboek van Steenhuis lees ik dat J.B. Bauerhuit met adres Kalkovenwijk wz 19 in het voorjaar van 1941 bij hem werkt. Broer Bentlage bevestigt dit. Berend Bauerhuit heeft hier gewoond met Jankie Windt voordat ze emigreren naar Australië. Ook noemt hij als bewoners Berend Wübkes en ene Abeln of Abeling. Tegenover op de oostzijdekant staan twee huizen. Het meest zuidelijk huis heeft nummer 24. Het is een laag arbeiderswoninkje opgetrokken uit witte stenen. In het bos achter dit huis staat een houten skeletwoning met een grote schotel naar het zuiden gericht. ‘Hier woonde het gezin van Harm Over en Geertruida Groen’. De jongens Hendrik, Harm en Jan Over zijn broers, Griet is hun zus. Zij komen van de Bargh. In de jaren zeventig van de vorige eeuw woont en werkt de bioloog Pieter Boxman hier. Boxman schrijft en publiceert over biologisch dynamisch tuinieren en is aangesloten bij de milieugroep ‘De Kleine Aarde’ De bouwval ernaast is ‘Het huis van Anton Hempen’. In ‘100 jaar parochie Sint Willehadus’ lees ik dat Agatha Maria Hempen, dochter van Georg Hempen en Christina ter Veen van jaargang 1921 een kloosterroeping heeft (12). Ze woont op Kalkovenwijk oz 14. Dit moet nog de oude nummering zijn en vermoedelijk het vervallen huis.  3/6   Ga naar de volgende pagina