Pagina 3

8. Het echtpaar Anna Helena Jannink¹⁸ (1891-1979) en Rudolf Heijnen (1890-1979) (foto: Christa Berens-van Vliet)
Keetwoning van Martens op 5
Schuin tegenover, iets het veld in, staat het adres Zwartenbergerweg 5. We hebben hier te maken met een keetwoning. Een soort bewoning half onder de grond, de wanden opgetrokken uit veenkloeten met stro en plaggen op het dak, versterkt met planken, schotten en palen. Van alle woningen die ik beschrijf is dit de enige die nog stamt uit de tijd van de oorspronkelijke boekweitboertjes rond 1900. Bakkerszoon Harm Schoo (1940) die er elke week brood naar toe brengt vertelt erover ‘Het was één donkere ruimte met aan één kant een bedstede afgetimmerd. Op de vloer brandde onder een soort van schoorsteen open vuur. Turf was er genoeg. Aan de schoorsteen hing een ketting met een ketel water en een kookpot. Dag en nacht, ook in de zomer, brandde het vuur. Zodat de bewoner steeds over gekookt water beschikte. Er was geen goede ontluchting en binnen in de woning bleef de rook veelal hangen’.
Vader Willem Martens (1857-1932) ligt begraven op de openbare begraafplaats van Emmer-Compascuum. In 1936 overlijdt moeder Grietje Johannes Poeder (1857-1936). Vanaf dan woont de vrijgezelle Willem Martens samen met zijn hond in deze keet. In de zomer van 1952 verhuist hij naar De Stikker in Barger-Compascuum om bij zijn zus Femke, getrouwd met Egbert Doldersum te gaan wonen. Anderen weten te vertellen dat het huis in de vijftiger jaren omringd was met bos, bomen en struikgewas en dat het huis meer een groen geschilderde houten barak was. Helaas is er geen foto van.
Limietweg 1. Van Giffen soms op bezoek
Het dan volgende huis heeft als adres Limietweg 1. De Limietweg ligt in zuidelijke richting in het verlengde van de Zwartenbergerweg. De woning staat aan de westkant van de straat, op nog niet afgegraven bovenveen en met de rug naar de Limietweg en het kanaal. Het huis is omgeven door meerdere kersenbomen en struiken ‘Vanuit de ramen kon je zo anderhalf meter naar beneden kijken, naar de aardappelen die op de dalgrond groeiden’, zegt Grietje Bosma-Ensing (1933), dochter van Hendrik Ensing (1896-1964) en Hendrikje Zuidema (1902-1978) en als vijfde en jongste kind in dit huis geboren. Het huis heeft enkel steens muren en in de voorgevel is een schoorsteen gemetseld met aan beide kanten een raam. In de kamer staan één kast, daarin wordt alles opgeborgen, en twee bedsteden. De achterwand is van hout en versterkt met asfaltpapier. In de achterwand bevindt zich ook de enige ingangsdeur. Moeder haalt ’s avonds water uit de put en zet de emmer onder in de kast. Ze doet een theedoek over de emmer zodat het water niet bevuild raakt. Heel het gezin Ensing werkt in de vervening. Vader Hendrik als veenarbeider, moeder en de oudste kinderen helpen bij het droogmaken. Zijzelf is nog te jong om mee te gaan het veld in. Ze werken voor huurbaas Ernst Meijer, die samenwerkt met grondeigenaar Rudolf Heijnen. Vader is secretaris van de FNV en werkt in de winter bij de DUW, Heidemij. Moeder is gereformeerd. Het gezin van Rudolf Heijnen en Lene Jannink moet eerst in het huis gewoond hebben. Kleindochter Christa Berens-van Vliet (1941) vertelt dat haar opa Heijnen regelmatig bezoek kreeg van de Drentse archeoloog professor Albert van Giffen (1884-1973). Samen trokken ze het veld in op zoek naar tekenen van leven van voor en tijdens de veenvorming. Was Heijnen gestuit op een houten veenweg, op vuurstenen of op aardewerk uit de voorhistorische tijd? In latere jaren is Rudolf Heijnen opzichter bij de Nederlandse Turfcentrale. Als één van de weinigen in het dorp heeft hij in de jaren vijftig een telefoonaansluiting en wel met nummer 7 (!).
Grietje staat me uitvoerig te woord: ‘mijn jeugdtijd was goed. Ik ging toen ik zes was de eerste dag van mei voor het eerst naar school. Ik ging naar de school van meester Piet van Brummelen bij de Springersbrug (GS: BC ols III). Ik kwam direct naast mijn vriendin Wietske de Jonge te zitten (zie verderop Limietweg 8). We werden vriendinnen voor het leven. Nu nog, na ruim tachtig jaar, zien we elkaar vaak. We speelden altijd buiten. Slootje springen, in de bomen klimmen, bramen plukken, turfbulten omgooien, vissen en verstoppertje spelen. Toen ik vijftien was verhuisden we naar het grote huis aan het kanaal met adres Limietweg 3’. Het oude huis is in 1954 een bouwval, wordt gesloopt en de ondergrond afgegraven.
Limietweg 3. Enige nog bestaande huis
Limietweg 3 (afbeelding 6) is het enige huis dat anno 2023 nog staat ‘op Zwartenberg’. Het grote stenen huis staat op de kop van de plaats van Klaas Salomons19 en ergens in de jaren dertig is dit huis op afgegraven grond gebouwd. Het gezin van neef Otto Salomons en Jantje Hekman verhuist van hieruit in 1949 naar Canada. De familie Hendrik Ensing woont er tot 1965. Het huis bergt regelmatig meerdere gezinnen. ‘Je moest twee jaar ingeschreven staan als woningzoekende wilde je in aanmerking komen voor een door de gemeente toegewezen woonruimte’ zegt Grietje. Ook zij en haar man Jan Bosma vinden direct na hun huwelijk in 1956 hier onderdak. Sinds 1965 is het huis bewoond door de familie Dokter. De weduwnaar Derk Dokter die met zijn acht zonen lange tijd turf graaft voor bakker Hendrik Schoo, maar ook op de plaats achter de winkel van Springer.
Tegenover op Limietweg 5
Schuin tegenover het grote huis van later Dokter staat de arbeiderswoning met adres Limietweg 5. De woningkaart schrijft als eerste bewoner Gerrit Doek. Wanneer het gezin van Gerrit Doek en Martje Bos met hun vijf kinderen erin getrokken is wordt niet vermeld, wel dat ze in april 1943 verhuizen naar Bredesloot 3. De ondergrond is van Evert Aardema20. eigenaar van het confectiebedrijf (afbeelding 15), maar ook café en kruidenierswinkel aan het Oosterdiep, naast de latere kledingzaak van Scholtens Kerkhof. Daarna wonen vader Jan en zoon Geert Levinga nog tot 1949 in dit huis. De woningkaart schrijft dat het huis vervallen en afgebroken is. Aarend de Jonge meent dat Joost Steenhuis de veenplaats verveent21. In de Emmer Courant van 19 februari 1924 lees ik dat Bernard Rudolf Suelmann zes hectare grond verkoopt aan Evert Aardema. De prijs is 4600 gulden. Het gaat om Rudolf Suelmann met bijnaam Keukn ‘Kökn’ Roelf. Derk Gort beschrijft de boerderij van Rudolf Suelmann en gebruikt de achternaam Seulmän7.
Derde kind en tweede dochter Jantien (1921-2013) laat een op de computer geschreven verhaal na over haar leven en dat van haar ouders. Het document beslaat ruim veertig pagina’s tekst. Ze schrijft haar (moeilijk te volgen) tekst aan één stuk door, zonder punten, komma’s, hoofdletters en indeling in alinea’s. Normaal gesproken zou dit een boekwerkje zijn met het dubbele aantal pagina’s.
De familie Doek komt van de Groenedijk in Emmer-Compascuum, schrijft ze. Haar oudste broer Piet gaat naar de school in de Foxel, maar zij en haar oudere zus Jantje bezoeken de school in Klazienaveen-Noord. Juffrouw Rotmans brengt en haalt de kinderen van de sluis, aldaar. Het gezin werkt in de vervening, maar als Jantien zeven jaar is (rond 1928 dus) verhuist het gezin in het voorjaar naar de grens in Barger-Compascuum, naar de Limietweg. Vader Gerrit Doek krijgt werk bij ‘Schnitje’ Aardema, eigenaar van de plaats grond aan de grens. Jantien beschrijft dat het huis gebouwd wordt op het bovenveen op ongeveer tweehonderd meter afstand vanaf de grens. Eerst vinden ze in een houten schuur onderdak en mannen zijn die zomer bezig een beter en blijvend huis te bouwen. Het huis staat in de buurt van een bos, een ideale speelplaats voor de kinderen. De kinderen Doek ontmoeten in en bij het bos veel leeftijdgenoten en ze omschrijft dat vlakbij meerdere huizen staan. Ze gaat naar de openbare lagere school III van Barger-Compascuum. Het perceel waarop ze wonen heeft geen brug naar de Limietweg. Om naar school te kunnen, lopen ze eerst naar de Duitse grens, nemen het pad achterlangs om zo via een ander perceel met wel een brug de Limietweg te bereiken. Naderhand komt in het kanaal een houten bak te liggen, waarmee de mensen door aan een ketting te trekken naar de overkant kunnen. Samen met ene Albert loopt ze daags over het lange pad langs de Steenhuiswijk naar de school. Albert woont met zijn ouders in een woonschip, die gelegen is in één van de zijwijken. De ouders van Albert werken voor Veldkamp. Albert trekt heel die tijd met haar op. Dit maakt wel indruk. Ook vertelt Jantien over een buurman die aldoor probeert vader, moeder en de kinderen in de kerk te krijgen. Zij zijn voor de kerst uitgenodigd om deel te nemen aan een maaltijd en zang na. Waarschijnlijk gaat het om een lid uit de familie Salomons19, dat aangesloten is bij de Vergadering der Gelovigen. Zij houden bijeenkomsten in een zelfgebouwde houten barak vooraan op de Oostelijke Doorsnee. Ik heb meerdere buurtbewoners gesproken die als kind of jongeling deze bijeenkomsten, die door een spreker Wilson wordt geleid, bezoeken22.
Vader Gerrit Doek verdient rond de oorlog bij met klompenmaken. Hij heeft een lange wachtlijst. Naderhand wordt hem dit verboden omdat hij geen vergunning heeft. Doek werkt voor zijn huurbaas, maar houdt ook beesten; kippen, konijnen, sikken, schapen, kalveren en koeien op het groene veenland rondom het huis. Door de voortschrijdende veenafgraving, ook het bos en het perceel van Aardema worden afgegraven, verdwijnt steeds meer grasland voor de beesten en het duurt niet lang of het huis staat op een blok bovenveen. Gerrit ziet uit naar een andere woonplek waar hij met zijn beesten uit de voeten kan. Boer Cees Hospers biedt hem het huis op Bredesloot 3 aan. Het huis staat noordelijker ‘dichter op Compas’ ook aan de oostkant van het kanaal. Het huis staat op het zand (de schrijfster zal bedoelen dalgrond) en er is genoeg groenland rondom. Vader gaat werken als boerenknecht bij Hospers. Het is dan 1943, het jaar dat Jantien trouwt met de in 1919 geboren David Bos. Een eeuw later viert hij aan de Wilgenlaan in Emmer-Compascuum zijn honderdste verjaardag. Kort erop overlijdt hij.
