Pagina 5
Broer Gerrit de Jonge kan goed voetballen. Hij staat een tijdlang onder contract bij Zwartemeer, de club die in die tijd een semiprofclub is. Later komt hij bij SC Drenthe, De Graafschap, VVV en Cambuur. Nu nog woont hij in Leeuwarden. In 1948 verhuist het gezin naar Klazienaveen-Noord, naar de Catovaart oz 11. Direct na de lagere school gaat Aaldert het veen in. Zijn baas is de Firma Scholten. Later is hij bij hetzelfde bedrijf boerenknecht. Vanaf 1961 gaat hij de bouw in. Hij trouwt met Zwaantje Bruinsma van de Limietweg in Barger-Compascuum. Sinds bijna 60 jaar wonen ze aan het Weverspadje in Emmer-Compascuum. Twee huizen noordelijker van het eerdere huis van de familie Kroon op 9721. Grietje Bosma kan zich nog herinneren dat de familie Kip daar woont. Het moet in de oorlog zijn geweest dat ze samen met anderen de verre voettocht naar Fehndorf onderneemt. Opvallend, en passend in dit verhaal, is dat het gezin van oom Reindert Kip in de zomer van 1948 op Bredesloot 4 komt te wonen. Ook zij moeten na de oorlog in Fehndorf de verboden zone verlaten. De gemeente biedt hen onderdak aan in een ruimte van de Nederlands hervormde school in Barger-Compascuum. Ook zij zoeken uiteindelijk het grensgebied weer op. Ruim 5 jaar woont de familie Kip hier. Dan verhuizen ze naar een woning in Emmer-Compascuum. Nog een aantal huizen: Limietweg 2, 4 en 9 Van de genoemde namen horen de families Berken, Heine/Heijnen, Kuhl, Mencke, Nieman, Poker, Speller, Steenhuis, Suelmann, Sutman en Van Rijswijk tot de katholieke gezindte. Alle anderen niet. Verlaten land 13. Veenarbeiders van Zwartenberg met vrouwen en kinderen. Namen zijn niet exact bekend. Mogelijk uit de families De Jonge, Doek, Ensing, Hüsers, Poker en Tholen (foto: Minie Telkamp-Bos) 14. Drie huizen in Emmer-Compascuum van genoemde verveners in dit verhaal ‘Verlaten land’. Links is het huis van Ernst Meijer en Albertje Bunt op Oosterdiep wz 20. In het midden woont Josephus Hermannus ‘Joost’ Steenhuis met Aleida Johanna Wortelboer op Hoofdkanaal wz 66. En rechts is het huis van Petrus Bernardus ‘Pieter’ Sutman en Johanna Henderika Joosten en sinds 1941 Johanna Maria Steggink op Oosterdiep oz 4 (foto’s: GS)²⁷ 15. Groep naaisters en coupeuses die werken bij Evert Aardema. Het moet zo ongeveer 1920 zijn. De foto lijkt genomen ergens aan een kanaal. Achter, vierde persoon van links is Aleida ‘Ollaid’ Hartmann (1898-1989), vrouwelijke hoofdpersoon in het in 2019 door ondergetekende geschreven magazine ‘Roelf Feringa en Ollaid Hartmann’
Broer Aaldert: ‘Ik ben geboren in 1934 in Oranjedorp, daar waar nu de snelweg A 37 ligt. Daarna woonden wij in het VIe Blok aan de Schutwijk in Klazienaveen en kort voor de oorlog zijn we aan de grens in Barger-Compascuum komen wonen. Als kind en jongeling was ik altijd buiten in het veld, alleen of met andere jongens. Ik was veel met Ep Ensing op pad. Ep, de jongst geborene zoon uit de familie Ensing, die ook bevriend was met Nol Duinkerken, zoon van meester Piet Duinkerken. Soms mocht hij zelfs ‘bie de meester’ thuis mee eten. Vissen deden we op stekelbaars, snoek, brasem, voorn en sleien (seel). Voorn was er nog niet zoveel en sleien kon je niet eten. Om snoek te vangen zette ik fuiken. De gevangen vis werd geslacht, gebakken in de pan en opgegeten. Ook stroopte ik veel. Dit had ik geleerd van mijn vader. Iedereen op de Limietweg stroopte: ‘Lange’ Jan Kuipers, Ep Ensing en later de jongens van Dokter. Er was ongelofelijk veel wild. Ik had soms wel vijf hazenvallen uitstaan, die regelmatig ook vol zaten. Eerst was het zoeken naar het pad waarlangs de hazen gingen. Ze gaan namelijk altijd langs hetzelfde hazenpad. Van ijzerdraad werd een lus gemaakt en deze op een hoogte van vijftien centimeter aan een boompje of met een pin in de grond vastgezet’. Hij buigt voorover en laat zien op welke hoogte de strikken geplaatst worden.
‘Het draad haalden we van Warringa uit de Hoofdstraat in Emmen. Als het beest de kop door de lus had trok het zichzelf erin vast. Dan was het raak. Stropen was verboden en jagers waarschuwden ons. Zo reed ook regelmatig een politieauto door de buurt. Dan was er weer een melding van stropen geweest. Jager Geert Suelmann dreigde met het doodschieten van onze hond ‘Als ik jullie hond in het vizier krijg’ en ook Bennie Hölscher hield ons in de gaten. Jagers moeten zich aan de wet houden en mogen alleen maar jagen in het jachtseizoen. Stropers jagen altijd, ook bijvoorbeeld in de winter als aan de sporen in de sneeuw het hazenpad makkelijk te volgen is, of in het voorjaar als de vrouwtjes zwanger zijn. In de winter stond vader op steun en moest hij zich elke week melden ergens vooraan op het Westerdiep. Dan ontving hij acht gulden om met zijn gezin een week ervan te leven. Een gezin bestaande uit man, vrouw en negen kinderen. In de winter ging vader kaaienbakken. Dit deed hij met de jongens van Nadus Nijzing: Harm, Berend en Willem, en met Bernard Tholen. Vaste plek was de viersprong van de Steenhuiswijk met de Bovenste wiek. Onze kruidenier was Harm Cramer zuidelijker aan de Limietweg. Griet Cramer bracht ons de boodschappen thuis. Brood kregen we van bakker Woldring. Melk van Hendrik van den Berg van het Westerdiep, later Willem Pool van het Oosterdiep. Pool fietste met twee melkkannen zijn klanten af. Eén kan voorop en één opzij, achterop. Gankema, halverwege Zwartemeer en Klazienaveen was slager. Woensdags moest ik te voet vlees halen. Ik nam de weg via Jans Heine, door Barger-Compascuum en langs de Westra’s wieke. Daar waar de Westra’s wieke eindigde in het Van Echtenskanaal stond aan de andere kant van de brug de winkel. De terugweg nam ik via Zwartemeer, Tuindorp en de Limietweg. Vader haalde op de zaterdag nog vlees, maar hij ging op de fiets. Met de kerst aten we stokvis. Toen arbeiderskost en nu een delicatesse. We haalden de vis bij Johan Hollen in Emmer-Compascuum. Vader fokte geiten. De bokjes werden direct dood gemaakt of later, toen we op Klazienaveen-Noord woonden, naar Aorend Wolbers aan het Karrepad, gebracht. Deze slachtte de beestjes, die een kwartje opbrachten. De geitjes werden gehouden voor de handel of voor de melk. Ook handelde vader in honden.
In de oorlog ging vader elke zondagochtend naar de winkel van Springer. De familie Springer had zich aangesloten bij de NSB. Dan dronk hij ook een borrel. De oude Willem Springer was mild, maar de jonge Hendrik niet. Die wilde elk ondergedoken man wel opsporen en aangeven. Ze wisten ook dat in de Maatschappij het vol zat met onderduikers. ‘Laat lopen die jongens’, zei Willem dan tegen zijn zoon. Vader werd tewerkgesteld in Essen. Op een geven moment was hij weer thuis. Een week later is Essen kapot gebombardeerd. Ook de jongens van Ensing gaven gehoor aan de oproep om in Duitsland te gaan werken. We gingen niet naar de kerk. Vader wilde niet. Toen we eenmaal weer op Klazienaveen-Noord woonden, bezocht Van de Weerd ons thuis en uiteindelijk ging moeder weer naar de kerk. Veenbaas Steenhuis was stug, met Meijer kon je praten en met Sutman weer niet’.
Nico Kip (1933) vertelt me dat zijn ouders Albert Kip en Metje Huisman en hun kinderen na de oorlog een tijdlang in de schuur van Meijering (zie Zetbaas Meijering) hebben gewoond: ‘De oorlog was afgelopen en wij woonden aan de Grosse Strasse in Fehndorf, de straat aan de westkant van het Süd Nord Kanal. De Engelsen die het daar voor het zeggen hadden bevolen op Hemelvaartsdag alle Fehndorfers die woonden tussen kanaal en de grens vóór Pinksterzaterdag te verhuizen. Dit gebied werd ‘Sperrgebiet’ en om controle over de grens te hebben werd iedereen bevolen om met alles wat ze konden meenemen, ook de dieren, naar buiten de ‘verboden zone’ te verhuizen. Negen dagen hadden we tijd. Dit zou naderhand tot Pasen 1946 duren. Nu woonden in Fehndorf, juist in het genoemd gebied, een hele rits aan Nederlanders. Nederlandse gezinnen die na de Eerste Wereldoorlog werk in het veen hadden gevonden in dit nabije Duitsland. Zo ook mijn ouders en meer familie Kip. Veel kinderen bij mij in de klas op school spraken Nederlands en veel Nederlanders woonden aan onze straat. Van zuid naar noord; Heinrich Tieben met winkel, ome Reinder Kip, Hendrik Seubers, mijn ouders Albert Kip. De families Hofkamp, Melchert, Winters, Wolbers, Többen en boer Hendrik Mensen. Ook de boeren Bertus en Frans Tieben van de achterwieke moesten plaats maken. Vader werkte in de vervening voor de beide jongens Tieben in de streek achter hun boerderijen en grens. Het was een hele volksverhuizing, die tijd. Veel Duitse gezinnen konden bij familie aan de andere kant van het kanaal terecht. Maar veel Nederlanders kozen ervoor om terug te gaan naar Nederland, zeker diegene die in de oorlogstijd niet openlijk gekozen hadden voor de partij van Hitler. Het was een hele consternatie. Iedereen was zenuwachtig. We gingen met zoveel mogelijk huisraad, goederen en beesten met een praam over het water naar Nederland. Ook de jongens van Tieben hadden hun spullen en levende have bij ons op de boot gebracht. Over het Süd Nord Kanal, via Wesuwermoor, bij Schöninghsdorf rechtsaf, door Zwartemeer en dan over het Verlengde Oosterdiep en Oosterdiep naar Munsterscheveld-Barnflair. Daar woonde de familie Tieben. En wij door de Oostelijke Doorsnee naar de schuur van Veldkamp aan de Zwartenbergerweg. Het laatste stuk hebben we moeten lopen. In de schuur was een deel tot woning afgetimmerd. De kinderen sliepen op zolder en beneden was naast een varkenshok de woonkamer. Kort hebben we hier gewoond. Na korte tijd verhuisden we naar een huis aan de Oostelijke Doorsnee, eigendom van boer Haikens van het Oosterdiep. In Nederland pakte vader het werk als persmachinemachinist weer op’.
Een zelfde verhaal hoor ik van Wietske Wever. Ze vertelt dat zij en haar ouders regelmatig de grens over gaan om het gezin van oom Hendrik Seubers en tante Bertha de Roo in Fehndorf te bezoeken. Hendrik Seubers is voorman in het kamp bij Fehndorf (GS: niet geheel duidelijk, kan Kamp Wesuwe23 zijn). Onder zijn leiding werken gevangenen in de Duitse vervening. Ook dit gezin moet direct na de oorlog de verboden zone uit. Zij keren terug naar een woning in Klazienaveen-Noord. Daar waar de familie Seubers vandaan komt.
In gesprekken met voormalige bewoners kan ik nog een aantal woningen met adressen toevoegen. Zie hiervoor afbeelding 5, de globale schets van Zwartenberg. Tegenover Limietweg 1, perceel staat op naam van Heine/Heijnen, woont het gezin van Herman Heine en Annie Salomons19. Hij is neef van de vervener-opzichter Rudolf Heijnen en werkt mee als turfgraver, en zij is dochter van buurman Klaas Salomons en Trijntje Hommes19. Grietje Bosma zegt dat haar moeder regelmatig op zondagmiddag ‘tegenover’ thee drinkt met vrouw Heine. Het is niet onlogisch dat het echtpaar Heine-Salomons woont op grond van de familie Heine. Mogelijk adres Limietweg 224. Rond 1939 verhuist dit echtpaar naar Hoensbroek, Limburg. Ook noemt ze nog het huis van oude Klaas Salomons voordat hij verhuist naar de Oostelijke Doorsnee. Ik neem aan dat hij woont op zijn eigen plaats dus tegenover het adres Limietweg 3. Mogelijk adres Limietweg 4. Grietje weet nog hoe de ‘verlaten’ huisplaats met oude vruchtbomen, verwilderde struiken en sporen van de oude moestuin er uitzag.
Dan zegt Aaldert de Jonge dat achterop de plaats met de schuur van Meijer een familie Berken woont. Mogelijk adres Limietweg 9 en het is niet onaannemelijk dat eerder hier de familie Rieks Nieman woonde. Ik spreek dochter Catrien Roufs. Het gezin Berken is in april 1937 teruggekeerd vanuit Limburg. Haar moeder is op dat moment zwanger van haar. In de Emmer Courant van meer dan tien jaar ervoor, namelijk van 14 november 1924, staat een opvallende advertentie. ‘Spoed! Wegens vertrek naar Limburg te koop een arbeiderswoning met anderhalve hectare land in huur. Prijs ‘Spotbillijk’ Johan Harm Berken, Barger-Compascuum aan de grens’. Het moet geweest zijn ergens op Zwartenberg. Exacte locatie is niet te achterhalen. Waarschijnlijk noordelijker6. Kennelijk is het de familie niet bevallen in Voerendaal, in de mijnstreek en keren ze terug naar het Zuidoost Drentse veengebied. In de winter van 1941 verhuist het gezin naar een zojuist gereedgekomen huurwoning in Barger-Compascuum. Catrien: ‘het was januari 1941 en het had diep gevroren. Er waaide een stevige koude oosterwind. De inboedel en wij zijn per slede over het ijs verhuisd. Door alle kanalen: Bovenste wieke, Steenhuis wieke, Verlengde Oosterdiep en Sint Joseph, zietwieke, naar De Stikker 12 in Barger-Compascuum. De wind raasde over onze hoofden. De hoge wallen zorgden voor een goede schuil en luwte’. Volgens Catrien betreft het huis op Zwartenberg een barak van hout met op het dak een grijze pan. Het staat evenwijdig aan het kanaal. In het midden is een grote voordeur en rechts en links ervan een grote raam.
Ook is uit overleveringen25 bekend dat hier ergens de familie Hinnek Speller-Helena Fischer gewoond heeft. Zij behoren tot de groep Emsländische boekweitboeren op het bovenveen. Kennelijk van voor de tijd van de woningkaarten. Niemand van de huidige (bijna) negentigers kan zich dit nog herinneren.
Tot zover de beschrijving van de buurt Zwartenberg. Nagenoeg alle beschreven keten, huizen en barakken zijn geruimd. Evenals alle oude houtwallen, verknotte kersenbomen, huussies, waterputten en schuren. Slechts één huis is blijven staan. Als één van de laatste streken in de gemeente staakt ook hier het veenbedrijf. Na het afvoeren van de turf is de ondergrond ontgonnen. De bodem is wel een meter gezakt26. Dalgrond is ontstaan. De vervener maakt plaats voor de boer.





