6. Rudolf Feringa (1901 BC-1977 BC)        Roef Feringa Een andere Limietker Rudolf ‘Roef’ Feringa heeft het dorp Barger-Compascuum met zijn woonbuurten uitgetekend op de achterkant van een stuk behangpapier. Feringa is oudste zoon van Herman Heinrich Feringa (1864 Hmeer-1953 BC) en Angela Rolfes (1869 Valtherveen-1946 BC) en woont op Limietweg 28. Van beroep is hij vervener. Familieleden hebben in al die jaren het document goed weten te bewaren. De familie gaat ervan uit dat hij het dorp rond de eeuwwisseling beschrijft. Dit is fout! Aan de hand van de namen van de bewoners beschrijft hij de situatie rond 1913. De namen zijn de bewoners van het gebied, niet die van de grond-plaatseigenaren. Het dorp bestaat uit meerdere woonbuurten (noot 3). De huizen staan op het bovenveen en worden bewoond door boeren die boekweit verbouwen, schapen houden en aan bijenteelt doen. Voor hun dagelijkse brood verbouwen ze op hun akkertje dichtbij hun huis rogge en wat aardappelen. Voor eigen gebruik graven ze turf voor de kachel om op te koken of om in de winter het huis te verwarmen.  Daar waar later Limietweg, Limietweg Oost en Zwartenbergerweg liggen schrijft Feringa de woonbuurt Bredesloot. Vóór de Gemeentelijke Herinrichting in 1938 liep het dorp door tot aan de Verlengde Tweede Groenedijk. Feringa gaat eveneens tot aan deze grens. De huizen en keten staan niet direct aan de grens maar dichter naar de Breede Sloot. Daarom noemt hij deze streek Bredesloot. In tegenstelling tot het Hebelermeerse Compascuum. Daar geeft hij de streek de naam Limiete. Waarschijnlijk omdat deze behuizingen meer aan de grens (limiet) staan. Boven, kaart 2. Fragment van de kaart van Rudolf Feringa. Het betreft de woonbuurt Bredesloot Links de namen die behoren bij kaart 2 1 H Hendriks, Brughuis, 2 HH Greve, 3 JH Wielage, 1a G Bolk Broukman en 4 HH Feringa.   Dan begint de huidige Zwartenbergerweg. Feringa schrijft: 5 HH Gebben, 6 TH Albers, 7 Katrol Harm, 8 R Suelman, Keuken Roef, 9 Hoezen, 10 HH Holscher, Pot Hinnerk, 11 R Heine, 12 HH Kuhl, 13 Berken, 14 W Martens, 15 GH Fischer, Robben Geert Jan en laatste 16 Wolters, Grote Kneipe. Zie verderop. Pas na 1885 komen hier de eerste bewoners. Dat is tien jaar later dan in het Hebelermeerse Compascuum en 25 jaar later dan het gebied aan de Runde. Tot ongeveer 1915 merken de Duits katholieke bewoners van deze bovenveen-boekweit-buurtschap nog niets van de aankomende veenafgraving. Daarna wordt het anders. De eerste kanalen en wijken komen het gebied binnen. Kanalen en wijken Pas na 1910 beginnen de voorbereidingen voor de vervening van Barger-Compascuum. Sloten, kanalen en zijwijken worden aangelegd. Vanuit het zuiden, vanuit het Verlengde van Echtenskanaal in Zwartemeer, graaft een kanaalgraversploeg de Hoofdwijk III (I is Scholtenskanaal, II Verlengde Oosterdiep en III Limietwegkanaal) in noordelijke richting. De afstand tot de grens is ruim 800 meter. Ook vanuit het zuiden wordt begonnen met het graven van het 850 meter westelijker gelegen Verlengde Oosterdiep. Vanuit het noorden, Emmer-Compascuum, wordt het (Verlengde) Oosterdiep in zuidelijke richting verlengd. In 1921 komen de zuidelijke en de noordelijke ploeg samen. Ter hoogte van de hervormde kerk (plaats 24) in Barger-Compascuum is de doorsteek. Het kanaal Verlengde Oosterdiep is dan in zijn geheel uitgegraven en functioneert als hoofdkanaal. Zie Lods, blz 16 en verder. Al rond 1915 is de noordelijke kanaalgraversploeg aangeland bij plaats 17. Vanaf dit punt wordt een zijwijk ´Steenhuiswijk´ in oostelijke richting gegraven die verbinding maakt met de Hoofdwijk III (Limietwegkanaal). Men graaft nog door in de richting van de grens. Vanuit deze wijk wordt op een afstand van ongeveer 600 meter tot de grens een wijk in noordelijke richting gegraven en een wijk in zuidelijke richting. De noordelijke tak communiceert met de latere wijk ‘Bredesloot’ en de zuidelijke tak met de Limietwijk. De mensen noemen deze wijk de ‘Bovenste wieke’, ‘Achterste wieke’ of ook ‘Derde wieke’. Het Verlengde Oosterdiep is dan de eerste, Hoofdwijk III of Limietwegkanaal de tweede en deze Limietwijk de derde wieke. Op de westoever van de Limietwijk komt een straatweg te liggen, de Zwartenbergerweg. Over de Steenhuiswijk ligt een brug die later vervangen wordt door een verhoogde overgang de ‘Hoge Brug’. Naast de oorspronkelijke boekweitboeren krijgt het gebied ook andere bewoners. Kanaalgravers en turfstekers met hun familie zettelen zich hier. De meeste van hen zijn niet katholiek. Zij gaan wonen in huizen van hun werkgevers, de veenbazen. Soms nog op het bovenveen, in ‘keten’ en anders op het dal, aan het kanaal in stenen arbeidershuisjes. De Zwartenbergerweg op het dal Hendrik ‘Hinnek’ Kuhl (1927) tekende voor mij een kaart van het gebied uit zijn jeugdtijd, de vooroorlogse jaren tussen 1930 en 1940. Zie Land op de schop, blz 141. De bewoning ten noorden van de Dam +/- 80 m is onderwerp van dit hoofdstuk: de bewoning aan de Zwartenbergerweg. De huizen ten zuiden van de Dam vallen onder de Limietweg. Meerdere huizen staan al op afgegraven grond, op het dal. Anderen nog op het bovenveen. 3/14   Ga naar de volgende pagina