Bronnen
Bechtluft, H.H., Die Historie vom Twist (Meppen/Ems 1977)
Berens, J.B., Barger-Compascuüm (Nijmegen 2001, vierde versie 2012).
Buiskool, H.T., Zuidoost-Drente op weg naar een nieuwe toekomst. Deel I, II en III (Assen 1950, 1953 en 1956)
Blanke, H., Emsländische Moorkolonien im Kreisse Meppen (Osnabruck 1938)
Dijck, F.A., ‘Voor andermans beurt. Remplassant in onze Nationale Militie’, Waardeel 4 (december 1998).
Eikens, J.B., 150 jaar Sint Joseph Parochie Zandberg/Ter Apel 1995 (Zandberg 1995)
Jacobs, H., Das nördliche Emsland unter Münsters Hoheit -Lebenswelten zwischen 1400 und 1680- Das nördliche Emsland unter
Münsters Hoheit -Lebenswelten zwischen 1680 und 1795-. Das Nördliche Emsland von 1795 bis 1910 (Lingen 2010)
Kuis, J.B., Compascuum, 1873-1948. Uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan der St. Joseph-parochie te
Bargercompascuum (Bargercompascuum 1948).
Moser, U., ‘1870/71: Krieg gegen Frankreich und Reichsgründung. Ein Reich aus Eisen und Blut’, Geo Epoche. Das Magazin für
Geschichte. Otto von Bismarck (Hamburg 2011)
Ottens, B., 200 Jahre Hebelermeer-Wesuwermoor 1788-1988 (Werlte 1988)
Lemmermann, H., Zigeuner und Scherenschleifer im Emsland (Sögel 1986)
Prakke, H.J., Deining in Drenthe. Historisch-sociografische speurtocht door de ‘Olde Lantschap’, ‘De Achtste der Zeven Provincien’
(4de druk; Assen 1969)
Posthumus, H., Op zoek naar grenspalen. Wandelingen langs de grens van paal tot paal (Assen 2010)
Robben, B., “Wenn der bauer pfeift, dann müssen die Heuerleute kommen!” Betrachtungen und Forschungen zum Heurlingswesen in
Nordwestdeutschland (Lingen 2014)
Schaper, M., ‘Die Gesellschaft um 1900. Ein volk in Bewegung’, Geo Epoche. Das Magazin für Geschichte. Deutschland um 1900
(Hamburg 2004)
Schuurman, H., Mussel. Dorp op de grens van zand en veen. Historisch fotoboek over Mussel, Braamberg en Kopstukken (Scheemda
1994)
Visscher, J. Dr., Emmen en Zuidoost Drente, een geografische monografie (Utrecht 1940)
Met dank aan Broer Berens (1916-2013) die vertellend veel informatie overbracht en Heinz Menke (1935) voor zijn openheid, meedenken en
kennis van het vroegere Duitse recht.
De bijdrage http://www.achterdebreedesloot.nl/immigratie_duitsers_p.htm is een verdieping van bovenstaand verhaal en toegespitst op de
situatie in de gemeente Emmen.
Bijlage 1. Over de eerste Duitse bewoning van Westerwolde in de jaren 1820-1866
Inwoners uit het noordelijke Emsland, uit Rütenbrock, Schwartenberg, Lindloh en Altenberge verhuizen naar de naburige woonbuurten in
Westerwolde; Oomsberg, Horsten, Zandberg, Braamberg en Maten. Het zijn de jaren 1820-1830. De nieuwe woonplaats hangt samen met het
beschikbaar komen van onafgegraven veenland en dit hangt weer samen met het uitgraven van het kanaal ‘Stadskanaal’ vanuit Bareveld in
zuidoostelijke richting naar Musselkanaal. En verder in de richting van Ter Apel als ‘Ter Apelkanaal’, dat later ombuigt als ‘Stads-
Compascuumkanaal’ naar het zuiden, naar Emmer- en Barger-Compascuum.
Eerst het Oomsberg, dat ligt in de gemeente Onswedde, later Stadskanaal. Het Stadskanaal is al tot de hoogte van Oomsberg uitgegraven. De
markegronden van de boeren van Veenhuizen en Ter Maars zijn hier gescheiden en te koop aangeboden. Duitsers kopen plaatsen en vestigen
zich als boekweitverbouwer. Dit is in de jaren 1827-1832 (Schuurman, 1994).
Bij het vorderen van het Stadskanaal in zuidoostelijke richtingen worden ook- de dichter naar de grens gelegen streken- Horsten, Braamberg
en Zandberg ontsloten, de gronden gescheiden en vooral aan Duitsers verkocht. Dit zijn de jaren rond 1840.
Westerwolde is gereformeerd, maar de nieuwe bewoners zijn katholiek. Zij kerken eerst nog in Rütenbrock. Dit is vanuit Horsten 14 kilometer
lopen. In 1843 wordt de parochiekerk in Zandberg gesticht. De kerk staat op Drents grondgebied in het uiterste puntje van de gemeente
Odoorn en niet op Gronings grondgebied (Eikens, 1995). Katholieken uit de Groninger streken Oomsberg, Horsten, Zandberg, Braamberg en
Sellingerbeetse, maar waarschijnlijk ook uit het Drentse Exloerveen en Valterveen, gaan hier te kerk. In 1847 wordt de kerk in Stadskanaal
gebouwd en in 1907 de kerk van Musselkanaal. Inwoners van Horsten oriënteren zich dan op Musselkanaal.
Opvallend bij deze trek naar Nederland is dat het zonen en dochters van families betreffen die nog maar twee of drie generaties in de Duitse
grensdorpen wonen. Pas sinds 1788 wordt de Duitse grensstreek bewoond. De Bisschop van Munster heeft hier aan de Duitse rand van het
Boertanger Moeras 14 kolonies ‘colonien’ gesticht. De eerste bewoners komen uit vele windrichtingen, uit de arme zanddorpen van Noordwest
Duitsland, uit het Osnabrücker land en uit het Lingener gebied, Lengerich, de dorpen van de Hümmling, rondom Werlte, maar ook verderweg
Paderborn, zelfs Nederland en België.
Ook heft Nederland geen grondbelasting als gebruikers het land ontginnen, in cultuur brengen en hier op de woeste grond gaan wonen. Deze
wet is uit 1840. De Schwartenbergers die in Nederland- Munsterscheveld- tot aan de Runde hun land hebben, betalen aan de Nederlandse Staat
geen belasting (1/3 deel) wat tegoed komt aan de vroegere markegenoten van Langen en Haren (Menke).
Opvallend hierbij is dat het veengebied van het ‘Compascuum’, later Barger-Compascuum een verbod van vestiging kent. De Nederlands Staat
wil dit land niet bewoonbaar hebben. Kennelijk is de natuurlijke grensfunctie die deze natte streek heeft te belangrijk. Huizen mogen niet
gebouwd worden. Er is een verbod op permanente bewoning, op ‘woningen met stookplaatsen’ (Visscher, 1940). Pas in 1865 wordt dit verbod
opgeheven en móeten kolonisten als zij stukken veengrond huren voor de boekweitbouw zich hier vestigen. Ze verplichten zich een huis te
bouwen op de gehuurde gronden rond het Zwarte Meer en aan het riviertje de Runde.
Blanke
Blanke (1889-1956) schrijft in het vooroorlogse jaar 1938 in zijn ‘Emsländische Moorkoloniën im Kreise Meppen’ over deze moeilijke tijd, zo
dertig jaar nadat de eerste kolonisten zich gevestigd hebben in 1788. De boeren verbouwen boekweit. Veel land is opgebrand en moet dan
minstens 25 jaren braakliggen voor het weer voor boekweitbouw geschikt is.
Maar ook de roggeverbouw- voor de dagelijkse kost ‘brood’- staat onder druk. Rogge vraagt bemeste grond. De mest komt van de schapen.
Het aantal schapen is afhankelijk van hoeveel de boer in de winter kan stallen en voeden. Ook moeten schapen en koeien grazen op gras- en
weideland en niet alleen op heidegrond. De variatie in voedsel is essentieel voor hun gezondheid en conditie. De omgeving van Rütenbrock
heeft niet genoeg weide om zijn beesten te kunnen voeden. In Nederland is nog veel grasland, in Roswinkel, Maten aan de oude Runde-Aa. Of
in Oomsberg, Horsten en Braamberg. Heinrich Blanke zegt dat de armoede groot was en dat soms gezinnen in de nacht hun keten afbraken, de
grens over gingen om in Nederland een nieuw huis te bouwen en een nieuw leven te beginnen. Anderen hebben zoveel gespaard dat ze grond
met ook weideland in Nederland kunnen kopen. Weer anderen emigreren naar Amerika en gaan hun familieleden, die generaties hiervoor de
oversteek al maakten, na.
Ook vordert in Nederland het Stadskanaal en vervolgens het Stads-Compascuumkanaal, wat veel werk oplevert. Volgens Menke ontstaat
hierdoor de bewoning van Maten. In 1856 is men tot Ter Apel gekomen. Dit zijn de jaren tussen 1815 en 1866.
Schoonebeek
Al ruim voor 1866 immigreren Duitsers uit vooral Twist en Bentheim naar het gebied dat ligt ten oosten van het Nederlandse zanddorp (oud-)
Schoonebeek. Hier ontstaat Nieuw Schoonebeek. Het zijn de jaren rond 1830 (Bechtluft, 1977). In 1849 wordt hier de H. Bonifacius parochie
gesticht (Kuis, 1948).
Gemeente Emmen.
Pas rond 1860 komt de gang naar Emmer-Compascuum, ‘Compascuum’, het latere Barger-Compascuum, Zwartemeer, Barger-Oosterveld en
Klazienaveen op gang. Zie; http://www.achterdebreedesloot.nl/immigratie_duitsers_p.htm.
6/6
Ga terug naar het begin