Herman Bentlage en Catharina Bos
De oudere mensen uit de buurt kunnen zich nog herinneren dat het echtpaar Bentlage in het kleine witte huisje bij de kalkoven woont (noot 6).
Johan Herman Bentlage is in 1874 in de Maatschappij, de latere Berkenrode in Barger-Compascuum geboren. Zijn ouders verhuizen
naderhand naar Barger-Oosterveld.
De familie Bentlage is in het bezit van een document waaruit op te maken is dat Johann Hermann Bentlage ‘von Kumpasküm (Holland)’ van 1
mei 1896 tot 1 mei 1898 gemeentelijke schaapsherder is in de Duitse gemeente Emmeln en zich goed gedragen heeft! De akte is per hand
geschreven door Ortsvorsteher Sanders en gedateerd op 1 Mai 1898. Dit soort oorkondes is heel gebruikelijk in het vroegere Duitsland. Het is
een soort van ‘bewijs van goed gedrag’ dat de bezitter kan overleggen als hij met justitie, politie of douane in aanraking komt. Ook komt het
geschrift van pas bij verhuizing naar een ander dorp, het aangaan van nieuw werk of de koop van een stuk grond of woning.
‘Zeugniss’ staat erboven.
‘Der Johann Hermann Bentlage von Kumpasküm (Holland) hat in unsere Gemeinde von 1 Mai 1896 bis 1 Mai 1898 als
Gemeindeschäfer gedient und sich wärend diese Zeit Treu, Ehrlich und Braf betragen. Dieses bescheinigt der Vorsteher Sanders,
Gemeinde Emmeln’.
Rond zijn vijfentwintigste levensjaar verblijft hij dus in Duitsland. Zijn echtgenote
Catharina Bos komt uit Maten, waar ze in 1879 is geboren. Ze trouwen in 1899 in de
gemeente Emmen. Hun kinderen worden geboren in de gemeente Vlagwedde, de
Duitse plaatsen Haren en Rütenbrock, tussendoor nogmaals in Vlagwedde en vanaf
1912 in de gemeente Emmen. Het is niet helemaal duidelijk wanneer het gezin naar
Emmer-Compascuum verhuist. Waarschijnlijk heeft het echtpaar niet voor Harm de
Jonge gewerkt. Tonkens en Beugel exploiteren de kalkoven vanaf 1913. Vanaf 1912
zijn de jongste kinderen geboren in de gemeente Emmen. Het is aannemelijk dat zij
dan in Emmer-Compascuum wonen en werken voor Tonkens en de zijnen (noot 7).
Opa Herman Bentlage is bouwvakker-timmerman van beroep, zegt kleinzoon Broer.
Hij kan moeilijk vast werk houden. Dan weer woont de familie in Nederland dan
weer in Duitsland. Steeds het werk achterna. Het is pure armoede in die tijd. Vader
Theo moet bij een Duitse boer gediend hebben als koeheerd, koejongen. ‘Voor een
pak stro heeft hij het hele jaar de koeien van de boer geweid’. Mogelijk door de
dreiging van de Eerste Wereldoorlog keren ze terug naar Nederland. Ze gaan eerst
naar Barger-Oosterveld ‘Daar woont de familie Bentlage’ (noot 8), maar uiteindelijk
naar Emmer-Compascuum.
Door het werk aan te nemen bij de kalkoven wordt opa verantwoordelijk voor al het
werk bij de oven. Het industriecomplex, in een grootte van ongeveer één bunder,
bestaat uit de beheerderswoning op Kalkovenwijk oz 8, bewoond door opa en oma
Bentlage, de kalkschuur met er achter de oven en later het woonhuis op nummer 11
van zoon Theo ‘Taidor’ Bentlage. Theo is getrouwd met Grietje Tienstra die in 1904
in Valthermond geboren is. Het zijn de ouders van Broer en Minie Bentlage (1930).
Eerst woont het gezin in bij buurman Berend Geerts, maar nadat in 1933 het huis
afbrandt, laat Postma een tweede woning bouwen bij de kalkoven.
Johan Herman Bentlage (1874 BC-1951 EC) en Maria Catharina Bos (1879
Maten-1965 EC). Op de achtergrond is de oven en een deel van de kalkschuur te
zien. Achter het echtpaar ligt een grote hoop schelpen, gereed om verwerkt te
worden (foto; familie Bentlage)
Links; Bidprentje van Bernard Bentlage. Bij werkzaamheden op de branderij
is hij als jongen van zestien jaar om het leven gekomen
Rechts; De schelpkalkoven van Emmer-Compascuum. Links het woonhuis van
het gezin Bentlage-Bos, in het midden de kalkschuur en rechts de oven. Vooraan
ligt de Kalkovenwijk
Broer Bentlage vertelt:
‘Aan de wijk stond de kalkschuur met er achter de oven. De diameter van de oven aan de grond was ongeveer vijf meter en de pijp
had een hoogte van acht meter. Deze liep naar boven taps toe en zag eruit als een flessenhals. Tot een hoogte van een kleine drie
meter waren de muren driedubbel dik, de pijpwand was minder dik. Het onderste deel was het verbrandingsdeel en de binnenkant
opgemetseld met vuurvaste steen en aan de buitenkant verstevigd met nogmaals twee lagen steen. De muur moest zo dik zijn om de
hoge druk en hoge temperatuur, die bij het verbranden optreden, op te vangen.
Vanaf de wal liep een constructie bestaande uit planken met twee leuningen in een lengte van zeker twintig meter schuin omhoog naar
een rand op de oven. Daar waar het onderste verbrandingsdeel ophield en de pijp naar boven begon. We noemden dit de batterij. Hier
was een ingang met ijzeren deur. Binnen in de oven lag over de volle lengte, van muur tot muur, een brede zware houten post.
De oven was achtkantig. De bodem van de oven was niet vlak, maar in het midden iets hoger dan de randen. Beneden waren in de
buitenmuur in het rond meerdere gaten, een meter breed, zestig cm hoog en de bovenkant rond, gemetseld. Deze gaten waren gedicht
met ijzeren platen met erin een kleiner gat van twintig bij twintig cm, zodat er een lange schop doorheen kon.
2/6
Ga naar de volgende pagina