V. Van nat moerasland naar af te graven turfland Eeuwenlang geldt het Bourtanger Moeras dat grensoverschrijdend ligt in Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland als onbegaanbaar en onbewoonbaar. Het is nat moerasland. Een enkeling weet een weg door het moeras en slechts de scheper met zijn schaapskudde is bekend in het gebied. Het moeras vormt een ‘natte’ natuurlijke scheiding tussen Nederland ‘De Republiek der zeven Provinciën’ en Duitsland ‘het Fürstbisdum van Munster’. Slechts op twee plaatsen is er een doorgang mogelijk. In het zuiden- bij Coevorden- daar waar het riviertje de Vecht de grens oversteekt en in het noorden, in het Groninger Bourtange. Hollanders leggen dammen en leidijken aan om zo het waterpeil op nivo te houden. Sinds eeuwen houden Friezen de wallen, dammen en dijken in het Drentse land in de gaten om verzekerd te zijn van een natte- ondoorgankelijke- oostgrens. Kunstmatig wordt het waterpeil op nivo gehouden. Dit moeras vormt hier de oostgrens van Noord-Nederland en het binnenland hoeft geen aanval van vreemde volkeren uit oostelijke richting te vrezen, eeuwenlang. Dit zal ook de reden zijn geweest dat De Nederlandse Staat het gebied niet bewoond wil hebben. Huizen mogen niet gebouwd worden, er is een verbod op ‘woningen met stookplaatsen’ (Visscher, 1940). Permanente bewoning is niet toegestaan, tot 1865. Centraal in het moeras ligt het ‘Compascuum’, daar waar later Barger-Compascuum zal ontstaan. In 1862 komt dit gebied in andere handen. De boeren van Noord- en Zuidbarge verkopen hun markegebied aan vier Drentse ondernemers. Ook de boeren van Emmen en Westenesch verkopen hun ‘Emmer-Compascuum’. De nieuwe eigenaren willen op den duur het moeras laten uitdrogen, kanalen aanleggen, het veen afgraven, de turf verkopen en het land ontginnen tot dalgrond. Zij laten in deze jaren Duitse boekweitboeren toe op het land, nabij het Zwarte Meer en de Runde. Jan Berend Heidotting (1884-1961) ‘Heide Berendken’ bij zijn keet in Zwartemeer. Het geslacht Heidotting komt van het Duitse Veldhausen. Eerst hebben ze in Nieuw Schoonebeek gewoond, later in Erica en vanaf 1873 ten westen van de Runde. Ze huren hier boekweitveen in ‘Compascuum’ (foto; Bertha Wesseling-Heidotting) Boekweitverbouw kan alleen op afgewaterde en droge bodem. Boeren leggen greppels en sloten aan. Met het toelaten van deze boeren is een begin gemaakt met de afwatering van het moeras. De boeren mogen grond huren maar verplichten zich ertoe om op de huurplaats voor 1 mei 1865 een woning te bouwen. Zij móeten er gaan wonen. De eerste ‘pioniers’ wonen tijdelijk in hutten, maar laten later hun families overkomen en bouwen betere bovenveenhuizen. Zo is op te maken uit de contracten, die de eerste eigenaren hebben met de nieuwe huurders (Berens, 2012). Het moeras verliest hiermee zijn natuurlijke grensfunctie. Onbegaanbaar en onbewoonbaar moerasland maakt plaats voor begaanbaar veengebied. Land dat in de nabije toekomst afgegraven wordt. Bewoning wordt toegestaan, verplicht zelfs. Boekweitboeren komen, bouwen een huis en dorpsgemeenschappen ontstaan. VI. Nog boekweitland in Nederland De Emsländische boeren hebben zich bekwaamd in de boekweitbouw; het enige cultuurgewas dat het goed doet op veen. Zij wonen al sinds eeuwen op de droge zandboorden, op de westoever van de Eems in de dorpen Langen, Haren, Wesuwe, Versen, Fullen, Rühle, Hesepe en Dalum. Naar het westen ligt hun gezamenlijke markegebied, dat bestaat uit moeras en veengebieden. Land, dat ze in de loop der eeuwen hebben leren bedwingen. Hier graast hun schaapskudde. Hier graven ze brandturf, nodig bij het koken en bij het verwarmen van hun woonvertrekken. Hier wordt hout gewonnen om huizen en schuren van te bouwen. Ook gebruiken ze de bovenste laag veen om er boekweit op te verbouwen. Boekweitverbouw is een brandcultuur en in de 18de eeuw overgekomen vanuit Oost-Europa. De bodem wordt ontwaterd en afgebrand alvorens het zaadgoed ingezaaid. Dit kan echter slechts een 6-8 tal jaren, daarna is het ‘opgebrand’ en worden de opbrengsten minder. Daarna moet het minstens 25-30 jaren braak liggen. 14 kolonies In 1788 sticht de Bisschop van Munster in de markegebieden van de zanddorpen, die ten oosten van de Ems liggen, veertien koloniedorpen. In de jaren ervoor is de landsgrens bepaald en met grenstenen vastgelegd. In het uiterste westen, en evenwijdig aan de grens, liggen de nieuwe dorpen. De Bisschop wil land scheppen voor zijn alsmaar toenemende bevolking. Maar ook wil hij de westgrens van zijn land versterken. Zo ontstaan de dorpen Rütenbrock, Lindloh, Schwartenberg, Hebelermeer, Hesepertwist enz. Ook hier wordt boekweit verbouwd. Op hetzelfde perceel wordt een kleine tiental jaren geoogst. Dan betrekt de boer het volgende perceel. Uiteindelijk na twintig jaar moet de boekweitverbouwer op zoek naar nieuw land. Juist de streek nabij het Zwarte Meer, in het ‘Compascuum’ aan de Runde en bij Roswinkel heeft nog maagdelijke veenbodem. Al in het begin van de 19-de eeuw huren Hannoveranen boekweitland van de markegenoten van Noord- en Zuid Barge. Voor hen is het bekend gebied (Hartmann, 1974 en Dijck, 1998). VII. 1866- Slag bij Langensalza In 1866 verslaat Pruisen Oostenrijk bij Langensalza. Hannover heeft zich achter Oostenrijk geschaard en wordt geannexeerd. Sinds 1815 is het Emsland deel van Hannover en valt nu onder Pruisen. Zie eveneens de bijdrage in ‘Drie opvallende feiten bij de Duitse trek naar Nederland na de Franse tijd (1813-1900)’. Jongens willen niet in dienst en deserteren. Bernard Ottens, dorpsleraar in Hebelermeer schrijft in zijn ‘200 Jahre Hebelermeer-Wesuwermoor, 1788-1988’ het volgende; “ Im Jahr 1866 besiegte Preussen bei Langensalza das Köninkreich Hannover. Jetzt mussten alle jungen Männer eine dreijährige Dienstzeit in der Preussenarmee Bismarcks ableisten. So etwas war den Hannovern fremd und gefiel ihnen gar nicht. Junge Rekruten, insbesondere aus den Emsdörfern, nahmen ihr Erbteil in Bargeld mit und flohen nach Holland. Auf holländischem Boden direct jenzeit der Grenze hatten die Hebelermeerer Bauern aus der sogenannten ‘Hannoverischen Abfindung’ einen etwa 700 meter breiten, etwa 3 km langen Streifen Boden zugeteilt bekommen. Jeder unserer Bauern besass dort eine oft mehrere Hectar grosse Fläche. Die Flüchtlinge bauten - nur 20 bis 30 meter von der Grenze entfernt- eine richtige Moorkate. Nachdem nun einige Möbelstücke und etwas Hausrat beschafft worden war, wurde schnell noch in einer hiesigen Dorfkirche an der Grenze heimlich geheiratet. Und nun ging es bei Nacht und Nebel über die ‘Grüne Grenze’. Das Junge Paar stellte bald den Antrag, holländische Bürger zu werden. Noch bis 1933 gingen viele frühere Flüchtlinge aus Compascuum in Hebelermeer zur Kirche, weil ältere Leute hier einen Gottesdienst in ihrer Muttersprache mitfeiern konnten. Die Entfernung von der Katensiedlung der Flüchtlinge von Compascuum bis zu unserer Kirche betrug nur gut 1 kilometer”. VIII. Duits grondbezit in Nederland Zo bezitten tientallen boeren van de Duitse dorpen Hebelermeer, Zwartenberg, Lindloh en Rütenbrock grond in Nederland, liggend pal aan de landsgrens. Bij de koop van de moeras- en veengebieden ‘Barger-Compascuum’ en ‘Emmer-Compascuum’ moeten de nieuwe Hollandse eigenaren een deel van hun grond afstaan. Als afkoop van de Duitse weiderechten in het ‘Compascuum’ komt 4/15 deel van het grondgebied in handen van de boeren uit de Duitse grensdorpen. Op kaarten wordt deze strook Duits grondgebied in Nederland aangeduid als ‘Afgestaan aan de Hannoveranen’ of ook als ‘Hannoverischen Abfindung’. Zo ontstaat Hebelermeerse Compascuum en Zwartenberger Compascuum, nu delen van Barger-Compascuum en Zwartenberger Veen, deel van Emmer-Compascuum. Zie ook; www.achterdebreedesloot.nl onder kopje historie, de naam de Breede Sloot. De boeren uit Hebelermeer, Lindloh, Zwartenberg en Rütenbrock, hun kinderen of familieleden ervan vestigen zich vanaf 1875 in het gebied ‘Afgestaan aan de Hannoveranen’. Ze bouwen hun huizen op het bovenveen in het gebied tussen de grens en de Breede Sloot (Ottens, 1963 en 1988, Steenhuis 2011). Ook wordt het Emmer-Compascuumse Munsterscheveld in die periode door Duitsers bewoond. Zij hebben hun landerijen tot aan de Runde, ‘de Aa’, de oorspronkelijk door de Duitsers gewenste grens met Nederland. 2/3 Ga naar de volgende pagina