Pagina 7
Over Grenspaal 162
GP 162 is één van de dertien eerste stenen uit 1764. De steen staat daar waar in Duitsland de straatweg Hebelermeer de landsgrens raakt. Het monument staat ten noorden van de Martelssloot, de vroegere sloot tussen het voormalig Hebeler en Zwarte Meer. Deze oude Steen 3 ziet er gehavend uit. Dit is niet voor niets, veel heeft ze al beleefd. Als in 1825 de grens geïnspecteerd wordt (zie hierboven) melden de dienstdoende ingenieurs dat de steen scheef in het moeras was verzonken en dat ze deze opnieuw op de palen (die eronder lagen) moest zetten. Dan achttien jaar later: Uit correspondentie uit 1843 tussen de burgemeester van Emmen en de Provinciale Staten in Assen blijkt dat er in de zomer een grensschouw is geweest, uitgevoerd door afgevaardigden van de koninkrijken der Nederlanden en Hannover. ‘De grenssteen Nö 162 welke thans in den Dankerschen Molensloot ligt moet worden opgericht’, zo luidt het verslag. Timmerman H.H. Rolfes uit Haren krijgt de opdracht. Hij moet de rekening inclusief de reiskosten in duplo indienen. De kosten zijn 49 gulden en tien cent en elk land betaalt de helft. Ruim twintig jaar later, in 1866, is het weer mis met onze paal 162. Weer is er een schrijven tussen de provincie Drenthe en de burgemeester van Emmen. De Commissaris van de Koning schrijft dat er een proces verbaal is gemaakt van het feit dat ‘grenssteen Nö 162, onder Emmen van zijn houten voetstuk was afgevallen. Ten einde de grensscheiding op dat punt niet onzeker worde zal een spoedige herstelling van den steen dienen plaats te hebben’. Na de Tweede Wereldoorlog moet deze steen er haveloos uitgezien hebben. Het onderstuk was gebroken en stukken van de kop afgeslagen. De letters EPM en RBF waren niet meer te herkennen. Een lokale boer die er elke dag langs moest en vond dat de steen hem in de weg stond, heeft het gevaarte onder de aarde gespit. Pas in september 2013, toen de Grenspalenroute (door Internationaler Naturpark Bourtanger Moor-Bargerveen e.V.) geschreven is, zijn de brokstukken uitgegraven en Steen 3, GP 162 weer op zijn oude plek neergezet. Gehavend, dat wel.

9. De oude Steen 3, nu Grenspaal 162 in 2015. De foto is aan de Nederlandse kant genomen. We zien de N van Nederland (foto: GS)

10. Bekanntmachung. Tekst: Nachdem zur Anseige gekommen, dass dem Colonisten zu Hebeler-Meer von den Eingesessen zu Nord-und Süd Berge in demjenigen Compascuo, wovon der Art. 32 der Grenzvertrages zwischen Hannover und den Nederlanden von 2 Julij 1824 handelt, grosse Flächen zum Buchweitzenbau angenommen haben, wodurch das Interesse diesseitigen Unterthanen verletzt wird, so wird im Auftrage Königlichen Landdrosteij zu Osnabrück den Colonisten zu Hebeler-Meer bei Strafe nach Gemessen jede Anlegung von neuen Buchweitsen Ackern, und die fernern Bearbeitung des nicht bereits gehackten Moor hiermit untersagt. Meppen 19. Febr. 1841 Der Königlich. Hannoverisch Hoheits Commissair Dr Germes (bron: Collectie Broer Berens)
Meer grensverkeer
Tot 1788 is het rustig in het grensgebied, maar als in dat jaar de bisschop van Münster de veertien koloniën sticht wordt het drukker in het overgangsgebied. Ook gaan de weiderechten van de boeren van Altharen en Wesuwe over op de boeren van Schwartenberg en Hebelermeer. De weiderechten zijn dan wel goed beschreven, maar de kolonisten in de nieuwe dorpen gebruiken ongevraagd ook meer grond van de Emmer- en Bargerboeren voor hun boekweitbouw. Deze ontwikkeling wordt met argusogen door de Nederlandse politiek gevolgd. Nederland wil het moerasgebied in de grensstreek juist nat houden. Zo werd deze Bekanntmachung aan een boom bij de kerken in de dorpen in het Emsland opgehangen.
Grensinspectie en bezichtigen van de Grenspalen
Zoals in het Traktaat van Meppen in 1824 afgesproken is wordt regelmatig de toestand van de grens en van de grenspalen door afgevaardigden van beide landen gezamenlijk geïnspecteerd. Onder andere in het jaar 1870. Voor het koninkrijk der Nederlanden is een vertegenwoordiger van de burgemeester van Emmen ter plaatse en voor het koninkrijk Pruisen een afgevaardigde van Kreis Meppen. Gezamenlijk wordt protocol opgemaakt en door beide vertegenwoordigers ondertekend. De grens bij Hebelermeer, met zijn palen 161, 162 en 163 wordt op 26 oktober van dat jaar gezien en de grens bij Rütenbrock-Schwartenberg, met zijn palen 164, 165, 166, 167 en 168, op 8 november. Zie afbeelding 11.

11. Fragmenten van de protocollen opgemaakt in 1870. Links de grenspalen tussen Hebelermeer, Zwartemeer en Barger-Compascuum en rechts die tussen Rütenbrock, Schwartenberg en Emmer-Compascuum
‘Gedeelte aan de Hannoveranen afgestaan’ in 186231
In de jaren 1850-1860 bieden de Barger boeren hun venen te koop aan. Ook het Barger-Compascuum bieden ze aan. De oppervlakte is rond de 1800 hectare en de vraag is 90.000 gulden. De Schwartenberger boeren zijn bereid dit bedrag te betalen. Echter nog tijdens de onderhandelingen verkoopt de Bargemarke ‘t Compascuum voor 80.000 gulden aan vier Drentse ondernemers. Het zijn de heren meester C. Hiddingh, Hermannus Gosselaar, L.O. Tonckens en meester A.W. van Holte tot Echten. Uiteindelijk willen de nieuwe eigenaren het land vervenen. Echter de grote kanalen zijn nog ver weg en er wordt besloten eerst de grond voor boekweitverhuur geschikt te maken. Gosselaar is projectleider en hij zet honderden arbeider aan het greppelgraven en grond omhakken. Zoals afgesproken in het traktaat van 1784 laat hij de honderd roeden afstand vanaf de grenslinie ongemoeid. De Hannoveranen zien een bedreiging van hun bestaan. Regelmatig zijn er opstootjes en vechtpartijen tussen de Drenten en Hannoveranen. Nadat ze verschillende keren tegen het werk van Gosselaar hebben geprotesteerd, waarna er steeds een afwijkend antwoord volgt, nemen ze het recht in eigen handen. Ze vormen een leger van honderdveertig Hannoveranen en trekken gewapend met schoppen en veenhakken de grens over om greppels die om boekweitakkers zijn gegraven dicht te gooien. Daarna trekken ze zich terug naar hun dorpen. De Nederlandse politie maakt procesverbaal op en daagt elf Hannoveranen uit voor de Arrondissementsrechtbank in Assen, dd 14 juni 1861. Het gaat om Harm Heinrich Huismann uit Oberlangen, Hermann Heinrich Schmitz uit Niederlangen, Jan Hendrik Wösten, Jan Berend Tiben, Jan Berend Storre, Jürgen Römer, Jan Harm Vollens, Harm Berend Gröninger, allen uit Schwartenberg en Anton Wilken, Albert Wilken en Berend Anton Brüning uit Hebelermeer. Bij verstek worden ze veroordeeld tot enkele maanden gevangenisstraf naast een geldboete. De beide eerstgenoemden worden gezien als hun aanvoerders. De Hannoveranen laten het hierbij niet zitten en zeven van hen tekenen beroep aan tegen het vonnis. Vijf van hen verschijnen op 30 oktober 1861 in Assen in de beklaagdenbank. Ze laten zich bijstaan door procureur meester A.H. Engelkes uit Winschoten. Zijn verweer mag geen baat hebben en het vonnis blijft staan. Voor de veroordeelden is het zaak zich niet op Nederlands grondgebied te begeven. Steeds als een van de boeren in Nederland moet zijn laat hij zich begeleiden door een grote schare aan dorpsgenoten. Op een gegeven moment lukt het de Nederlandse politie een Hannoveraan te arresteren. Dit moet volgens een krantenverslag ‘op 300 stappen’ van de grens geweest zijn. De man zet een luide keel op en onmiddellijk komen Duitsers in actie, gewapend met messen, knuppels, veenhakken en andere slag- en steekwapens. Binnen een mum van tijd hebben zich veertig woedende boeren verzameld. De Nederlandse politie, die met vier agenten zijn, kiezen eieren voor hun geld en laten de arrestant vrij. Twaalf dagen laten heeft de politie meer geluk. Van een kudde van duizend schapen die door twee schepers over Gosselaars net ingezaaide boekweitakkers worden gedreven, weten ze 367 schapen te scheiden en in een schutstal onder te brengen. De Hannoveranen dienen protest in bij hun meerdere in Meppen. Deze schrijft weer brieven naar de burgemeester van Emmen, de commissaris van de koning of de officier van justitie in Assen. Intussen krijgt deze kwestie ruim aandacht in de landelijke pers en de regering wordt gevraagd om tot een oplossing te komen. Vertegenwoordigers van beide landen komen bij elkaar. De eerste keer in Hannover op 29 maart 1862 en een tweede keer in Emmen op 5 en 6 september 1862. Overeengekomen wordt dat een deel van het Nederlandse grensgebied aangeboden wordt aan de Emslanders. Het is 4/15 gedeelte van het Barger-Compascuum en Emmer-Compascuum. Op kaarten32 heet dit ‘Gedeelte aan de Hannoveranen afgestaan’ of ‘Compascuum Hannoverische Abfindung’. Zie afbeelding 12. Het bedoelde land ligt van de landsgrens tot 678 meter in westelijke richting. Hier laat men een sloot graven, twee meter breed en een meter diep: De Breede Sloot. Het aan de Hannoveranen afgestane deel loopt van de Bargh in het noorden tot de Martelssloot in het zuiden. Hiermee is de rust wedergekeerd en kunnen Hannoveranen en Drenten naast elkaar leven. Bij besluit van 6 juli 1864 verleent koning Willem III de veroordeelden kwijtschelding van de gehele straf.